<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:4304</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-02T09:40:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 22 / 3873</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#proceskostenveroordeling">Proceskostenveroordeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:4304">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:4304</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-30T14:37:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:4304 Rechtbank Midden-Nederland , 21-10-2022 / UTR 22 / 3873</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:4304:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eiseres heeft beroep ingesteld, omdat verweerder niet op tijd op haar aanvraag heeft beslist om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Eiseres heeft gelijk. Verweerder moet alsnog een besluit nemen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:4304:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 22/3873 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 oktober 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres</title>
    <para>(gemachtigde: mr. H. Sala),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Belastingdienst/Toeslagen, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: mr. [A] ).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 22 december 2020 om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Op 10 oktober 2022 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft een reactie gegeven op het verweerschrift. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.<footnote-ref linkend="_54e20d29-51a9-455d-b177-802c23ef8efc" /><?linebreak?></para>
    <para>2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.<footnote-ref linkend="_0d39a30b-a658-446f-8792-1a33b7ab2fd5" /> Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.<footnote-ref linkend="_a5662d40-0952-44ed-94bd-004b99cb67ed" /><?linebreak?></para>
    <para>3. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Bij brief van 13 januari 2022, ontvangen door verweerder op 18 januari 2022, is verweerder in gebreke gesteld. Op 1 juli 2022 is nogmaals een ingebrekestelling namens eiseres verstuurd. Eiseres heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 6 september 2022, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek.<?linebreak?></para>
    <para>4. Het beroep is kennelijk gegrond.<?linebreak?></para>
    <bridgehead role="italic">Verweerder moet alsnog een besluit nemen</bridgehead>
    <para />
    <para>5. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.<footnote-ref linkend="_4e3c40d1-4a64-426d-bd5a-e1fc2855384e" /> Verweerder heeft gemotiveerd verzocht om een langere termijn, namelijk dertien weken.<footnote-ref linkend="_562a42ac-1c72-4bc2-9eda-9c11c0a0449b" /> Verweerder heeft uiteengezet dat de procedure die hij volgt bij de herbeoordelingen deze termijn rechtvaardigt.<?linebreak?></para>
    <para>6. De rechtbank is van oordeel dat de beslistermijn van twee weken voor verweerder te kort is, gezien het grote aantal aanvragen en de complexiteit van de herbeoordelingen en verweerders uitleg over het besluitvormingsproces. Gelet op wat verweerder heeft aangevoerd is er volgens de rechtbank sprake van een bijzonder geval.<?linebreak?></para>
    <para>7. Omdat de rechtbank ziet dat verweerder om verschillende termijnen heeft verzocht in voorgaande soortgelijke zaken zonder dat de onderbouwing een voldoende verklaring geeft voor dit verschil, heeft de rechtbank besloten om zelf een vaste termijn te bepalen in reactie op verweerders verzoeken in dergelijke zaken. De rechtbank verleent verweerder in principe een termijn van twaalf weken vanaf de datum van het verweerschrift om een besluit bekend te maken, met de mogelijkheid om daarvan af te wijken in voorliggende gevallen.  <?linebreak?></para>
    <para>8. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van de termijn van twaalf weken af te wijken. Verweerder moet daarom uiterlijk 2 januari 2023 een beslissing bekendmaken. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat eiseres reeds op 27 juni 2022 een zienswijze heeft ingediend. </para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde beslistermijn overschrijdt.<footnote-ref linkend="_73a9db3d-db14-4b5b-ae51-3512f010da7d" /> Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. Dit is het uitgangspunt voor dit soort zaken en de rechtbank ziet geen reden om hier in dit geval van af te wijken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bestuurlijke dwangsom</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </parablock>
    <para>10. Verweerder stelt dat de dwangsomregeling als bedoeld in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb in deze zaak van toepassing is en heeft bij besluit van 6 mei 2022 de maximale dwangsom van € 1.442,- toegekend. De rechtbank zal zich hier dan ook verder niet over uitlaten.<?linebreak?></para>
    <bridgehead role="italic">Proceskosten en griffierecht</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 379,50. <?linebreak?></para>
      <para>12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.<?linebreak?></para>
      <para>13. De rechtbank merkt tot slot nog op dat zij binnen haar bevoegdheden in dit beroep geen mogelijkheden heeft om verweerder te verplichten om een kopie van het dossier aan eiseres te verstrekken, zoals door haar gevraagd. Dit betreft namelijk een feitelijke handeling en niet een besluit in de zin van de Awb. Het niet tijdig verstrekken van een volledig dossier is daarmee evenmin als een niet tijdig nemen van een besluit aan te merken. De verwijzing door eiseres naar de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) maakt dat niet anders. Het verzoek om het volledige dossier te verstrekken kan namelijk niet worden gekwalificeerd als een verzoek op grond van de AVG betreffende kennisname van (de verwerking van) persoonsgegevens.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">- </emphasis>vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
    <para>- draagt verweerder op uiterlijk 2 januari 2023 alsnog een besluit bekend te maken;</para>
    <para>- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 379,50;<?linebreak?>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres te vergoeden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. </para>
  </section>
  <footnote id="_54e20d29-51a9-455d-b177-802c23ef8efc" label="1">
    <para> Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0d39a30b-a658-446f-8792-1a33b7ab2fd5" label="2">
    <para> Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a5662d40-0952-44ed-94bd-004b99cb67ed" label="3">
    <para> Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4e3c40d1-4a64-426d-bd5a-e1fc2855384e" label="4">
    <para> Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_562a42ac-1c72-4bc2-9eda-9c11c0a0449b" label="5">
    <para> Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_73a9db3d-db14-4b5b-ae51-3512f010da7d" label="6">
    <para> Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>