<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:4106</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-26T14:20:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR - 22_2389</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:4106">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:4106</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-26T14:19:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:4106 Rechtbank Midden-Nederland , 28-09-2022 / UTR - 22_2389</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:4106:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pw, intrekking en terugvordering, inlichtingenplicht, melding inschrijving BRP in andere gemeente, verhuizing, inschrijving BRP is aanwijzing, onvoldoende tegenover gesteld, beroep ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:4106:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 22/2389</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. P. van Baaren),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: N.W.A. Notenboom).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 23 september 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht op bijstand van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) ingetrokken met ingang van 3 september 2021 en de kosten van ten onrechte aan eiser verstrekte bijstand van € 592,09 van eiser teruggevorderd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 18 mei 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2022. De gemachtigde van eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Deze zaak gaat over de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiser vanaf 3 september 2021. Verweerder vindt dat eiser vanaf deze datum niet aan zijn inlichtingenplicht<footnote-ref linkend="_24de3ae9-e395-4bfd-956c-edcc8cd8417d" /> heeft voldaan. Eiser heeft namelijk niet gemeld dat hij per deze datum verhuisd is naar Rotterdam. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert aan dat het niet heel duidelijk is wat de exacte datum van zijn verhuizing is geweest, maar dat de formele verhuizing heeft plaatsgevonden op 24 september 2021. De gemeente Rotterdam heeft namelijk op 24 september 2021 geregistreerd dat de woonplaats van eiser gewijzigd was. </para>
    <para />
    <para>2. Een besluit waarbij het recht op bijstand wordt ingetrokken en teruggevorderd is een belastend besluit. Dit betekent dat de bewijslast bij verweerder ligt. Verweerder moet dus aannemelijk maken dat is voldaan aan de voorwaarden voor de intrekking. Dat betekent in deze zaak dat verweerder aannemelijk moet maken dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat hij per 3 september 2021 zijn hoofdverblijf heeft verplaatst naar Rotterdam.<footnote-ref linkend="_550cdc68-bbe7-4aea-b1d4-37dd1e541620" /></para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank oordeelt dat verweerder aan deze bewijslast heeft voldaan. <?linebreak?>Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat op 23 september 2021 een melding binnen is gekomen van de afdeling burgerzaken dat eiser per 3 september 2021 is verhuisd naar Rotterdam. De rechtbank vindt dat verweerder deze stelling voldoende heeft onderbouwd met de interne e-mail van 15 april 2022 van het team adresonderzoek. Uit die e-mail blijkt namelijk dat het adresonderzoek is beëindigd op 23 september 2021 met als reden het vertrek naar Rotterdam. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hieruit blijkt dat verweerder voor 23 september 2021 al een melding heeft gekregen van de gemeente Rotterdam over eisers inschrijving daar.  </para>
    <para>De rechtbank vindt dat verweerder in de inschrijving in de BRP van de gemeente Rotterdam een aanwijzing heeft mogen zien dat eiser per 3 september 2021 zijn hoofdverblijf heeft verplaatst naar de gemeente Rotterdam. De rechtbank vindt dat eiser hier onvoldoende tegenover heeft gesteld. Met de enkele stelling dat het niet heel duidelijk is op welke datum hij exact is verhuisd, maar dat de formele verhuizing en registratie in Rotterdam heeft plaatsgevonden op 24 september 2021, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij vanaf 3 september 2021 (feitelijk) niet zijn hoofdverblijf had in de gemeente Rotterdam. </para>
    <para />
    <para>4. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. E. Kersten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 september 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_24de3ae9-e395-4bfd-956c-edcc8cd8417d" label="1">
    <para> Artikel 17 van de Pw. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_550cdc68-bbe7-4aea-b1d4-37dd1e541620" label="2">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3038. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>