<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:3701</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-07T11:37:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9609746 \ LC EXPL  21-3194</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Lelystad</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:3701">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:3701</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-07T11:37:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:3701 Rechtbank Midden-Nederland , 14-09-2022 / 9609746 \ LC EXPL  21-3194</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:3701:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Zorgpremie en zorgkostennota's.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:3701:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold caps">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold">MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Kantonrechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Lelystad</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 9609746 \ LC EXPL  21-3194</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 14 september 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>ACHMEA ZORGVERZEKERINGEN N.V. h.o.d.n. PRO LIFEen PRO LIFE ZORGREGELAAR,  <?linebreak?>2. ZILVEREN KRUIS ZORGVERZEKERINGEN N.V. h.o.d.n. PRO LIFE ZORGVERZEKERINGEN, </title>
    <parablock>
      <para>beiden gevestigd in Leiden,</para>
      <para>eisende partijen,</para>
      <para>hierna samen te noemen: Pro Life,</para>
      <para>gemachtigde: Flanderijn &amp; Van Eck,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonende in [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde] ,</para>
      <para>gemachtigde: mr. A. Stoel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de dagvaarding met ongenummerde producties, <?linebreak?>- de conclusie van antwoord met producties 1 en 2, <?linebreak?>- de conclusie van repliek tevens vermindering van eis met producties 5a tot en met 12, <?linebreak?>- de conclusie van dupliek met productie 3, </para>
      <para>- de akte uitlaten productie van Pro Life.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Waar gaat het over?</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft een zorgverzekeringsovereenkomst afgesloten bij Pro Life. Volgens Pro Life heeft [gedaagde] een achterstand in de betaling van zorgpremie en zorgkostennota’s die onder het eigen risico vallen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Pro Life vordert – samengevat – na vermindering van eis betaling van € 396,13 aan hoofdsom (zorgpremie en zorgkostennota's). Dit bedrag bestaat uit de optelling van de onder a tot en met f te omschrijven posten, waarop in mindering is gebracht dat [gedaagde] op 11 maart 2020 € 100,- heeft betaald en op 29 januari 2022 € 246,93: </para>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>€ 147,18 zorgpremie maart 2020 tot en met mei 2020</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 100,- zorgkosten factuur 21 mei 2018 </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 41,62 zorgkosten factuur 20 augustus 2019 </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 82,88 zorgkosten factuur 14 oktober 2019 </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 229,93 zorgkosten factuur 22 maart 2021 </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 141,45 zorgkosten factuur 6 juli 2021. </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Pro Life vordert ook betaling van € 116,72 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 21,48 aan wettelijke rente, samen met de hoofdsom totaal € 534,33. Pro Life vordert ook dat [gedaagde] haar proceskosten betaalt. [gedaagde] is het niet eens met de vordering van Pro Life en voert verweer. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De kantonrechter zal de door Pro Life gevorderde hoofdsom en een deel van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten toewijzen. [gedaagde] moet ook de proceskosten van Pro Life betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Post a: zorgpremie maart 2020 tot en met mei 2020</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Dit deel van de vordering van Pro Life bestaat uit € 26,- zorgpremie voor maart 2020, € 119,18 zorgpremie voor april 2020 en € 2,- voor administratiekosten april en mei 2020. [gedaagde] heeft het deel van € 26,- dat ziet op de premie voor maart 2020 betwist, omdat de maandelijkse zorgpremie destijds € 119,- bedroeg en het daarom niet duidelijk is waarom Pro Life voor die maand € 26,- vordert. [gedaagde] betwist ook dat hij € 2,- is verschuldigd voor de administratiekosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] niet betwist dat hij nog € 119,19 verschuldigd is vanwege de zorgpremie voor april 2020. Dat deel van de vordering van Pro Life wordt toegewezen. [gedaagde] heeft niet aangetoond dat hij de zorgpremie voor maart 2020 volledig heeft betaald. De zorgpremie van maart 2020 is maar voor een deel voldaan: met de betaling van € 119,18 op 11 maart 2020 zijn ook de openstaande incassokosten van 23 december 2019 en 28 januari 2020 betaald (zie randnummer 14 van de conclusie van repliek). Daarom gaat de kantonrechter ervan uit dat [gedaagde] nog € 26,- verschuldigd is aan zorgpremie voor maart 2020. Ook dit deel van de vordering van Pro Life wordt daarom toegewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] is op grond van artikel 8.3 van de toepasselijke algemene voorwaarden administratiekosten verschuldigd, omdat hij ervoor heeft gekozen op een andere manier te betalen dan via betaalmail of automatische incasso. [gedaagde] heeft de algemene voorwaarden geaccepteerd, zodat afzonderlijke instemming met de specifieke voorwaarde over de administratiekosten niet is vereist. De administratiekosten komen de kantonrechter niet onredelijk voor. [gedaagde] moet daarom ook de administratiekosten van € 2,- betalen. </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Post b: zorgkosten factuur 21 mei 2018 </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft niet betwist dat hij nog € 100,- verschuldigd is vanwege de factuur van de zorgkosten van 21 mei 2018. De kantonrechter wijst dit deel van de vordering van Pro Life toe.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Post c: zorgkosten factuur 20 augustus 2019 </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft slechts in algemene bewoordingen gesteld dat dit bedrag niet klopt. Niet is echter gesteld of gebleken dat [gedaagde] de gehele factuur van 20 augustus 2019 heeft voldaan. Uit de stukken blijkt bijvoorbeeld dat Pro Life een deel van deze factuur heeft afgeboekt met de betaling van [gedaagde] op 23 augustus 2021 (zie randnummer 37 conclusie van repliek). De kantonrechter gaat er daarom van uit dat [gedaagde] de zorgkostenfactuur van 20 augustus 2019 nog niet volledig heeft betaald. Het deel van de vordering van Pro Life dat ziet op deze factuur (€ 41,62) wordt daarom toegewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Post d: zorgkosten factuur 14 oktober 2019</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert aan dat hij deze factuur op 29 januari 2022 heeft betaald. [gedaagde] heeft echter bij deze betaling vermeld dat de overschrijving ziet op de factuur van 24 september 2019. Pro Life heeft de betaling dan ook op die factuur afgeboekt. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat [gedaagde] nog € 82,88 aan Pro Life is verschuldigd uit hoofde van de factuur van 14 oktober 2019. Ook dit deel van de vordering van Pro Life wordt toegewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Post e: zorgkosten factuur 22 maart 2021 </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>
        [gedaagde] betwist een deel van deze factuur ter hoogte van € 185,06. Een cardioloog van het [ziekenhuis] in [plaats] heeft een declaratie voor dat bedrag ingediend, volgens [gedaagde] slechts voor een telefonisch consult van 10 minuten. De kantonrechter kan dat niet controleren en geeft bovendien in deze procedure geen oordeel over de redelijkheid van een declaratie van een arts bij de zorgverzekering. Het verweer van [gedaagde] tegen dit deel van de vordering van Pro Life slaagt niet. De kantonrechter wijst het daarom toe. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Post f: zorgkosten factuur 6 juli 2021</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert aan dat hij deze factuur op 23 augustus 2021 heeft betaald. Bij de overschrijving is echter geen betalingskenmerk genoemd. Pro Life heeft deze betaling daarom afgeboekt op de oudere zorgkostennota’s van 2 mei 2019, 23 juli 2019 en 20 augustus 2019 (zie randnummer 37 van de conclusie van repliek)<emphasis role="italic">. </emphasis>Dat stond haar vrij. De factuur van 6 juli 2021 is dus niet betaald met de overschrijving van € 141,45 op 23 augustus 2021. De kantonrechter wijst dit deel van de vordering van Pro Life daarom toe. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>
        [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom ter hoogte van € 396,13. Omdat [gedaagde] niet op tijd heeft betaald, is hij ook de wettelijke rente verschuldigd. De wettelijke rente wordt toegewezen over de hoofdsom vanaf de datum van de wijziging van eis (30 maart 2022) tot de voldoening. Pro Life heeft ook de wettelijke rente tot de datum van de dagvaarding gevorderd, maar dat deel van de gevorderde wettelijke rente wordt afgewezen omdat Pro Life onvoldoende heeft toegelicht met ingang van welke datum of data de rente is berekend. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Buitengerechtelijke incassokosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>Pro Life vordert een vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 116,72. Pro Life heeft op 21 oktober 2021 aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Zij ging daarbij uit van een hogere hoofdsom dan die toewijsbaar is en het verschil is niet alleen veroorzaakt door de betaling die [gedaagde] na de aanmaning deed. De kantonrechter zal daarom een vergoeding van € 71,90 inclusief btw toewijzen, zijnde een vergoeding tot het wettelijke tarief dat aansluit bij de omvang van de toewijsbaar geoordeelde hoofdsom. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>
        [gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van Pro Life als volgt vastgesteld:</para>
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>- kosten van de dagvaarding</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>123,60</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- griffierecht</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>322,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- salaris gemachtigde</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>310,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(2,5 punten × € 124,00)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>755,60</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan Pro Life te betalen een bedrag van € 468,03 (hoofdsom plus buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 396,13, met ingang van 30 maart 2022, tot de dag van volledige betaling,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Pro Life tot dit vonnis vastgesteld op € 755,60,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2022. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>