<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:333</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-30T11:16:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-01-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 21/4459</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:333">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:333</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-30T11:15:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:333 Rechtbank Midden-Nederland , 17-01-2022 / UTR 21/4459</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:333:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het beroep is gegrond en er wordt een verhoogde dwangsom opgelegd. Verweerder moet binnen twee weken een besluit bekend maken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:333:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 21/4459</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.M. Breukers)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht , verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend na de uitspraak van de rechtbank van 18 juni 2021 met zaaknummer UTR 21/966. In die uitspraak staat dat verweerder binnen twee weken opnieuw moet beslissen op het bezwaar van eiser. Eiser stelt nu beroep in omdat verweerder dat niet heeft gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit. </para>
    <para />
    <para>2. 	Eiser heeft zijn bezwaarschrift ingediend op 11 november 2020. Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn is verstreken<emphasis role="italic">. </emphasis>Dat staat in artikel 7:10 en 7:13 van de Awb. Verweerder had dus uiterlijk op </para>
    <para>23 december 2020 moeten beslissen. In de uitspraak van 18 juni 2021 heeft de rechtbank vastgesteld dat verweerder niet tijdig heeft beslist op het bezwaar van eiser. De rechtbank heeft bepaald dat verweerder binnen twee weken na de datum van de uitspraak moet beslissen op eisers bezwaar. Verder heeft de rechtbank bepaald dat als verweerder deze termijn overschrijdt, hij een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- aan eiser verbeurt.</para>
    <para />
    <para>3. 	De rechtbank stelt vast dat de door de rechtbank in de uitspraak van 18 juni 2021 bepaalde termijn van twee weken al enige tijd is verstreken en dat verweerder nog steeds geen besluit heeft genomen op het bezwaar van eiser. Omdat de dwangsom op </para>
    <para>30 november 2021 is volgelopen en verweerder nog steeds geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak (artikel 8:55d, lid 1, Awb).</para>
    <para />
    <para>4. 	De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 37.500,-. De rechtbank oordeelt dat er aanleiding is voor deze hogere dwangsom omdat verweerder, ondanks dat eiser al eerder beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen, nog steeds geen beslissing heeft genomen. De rechtbank beslist dat er nu een sterkere prikkel nodig is.</para>
    <para />
    <para>5. 	Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb). Dat betekent ook dat eiser een vergoeding krijgt voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 379,50,-.</para>
    <para />
    <para>6. 	Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser betalen.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak</para>
    <para>alsnog een besluit bekend te maken;</para>
    <para>- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke</para>
    <parablock>
      <para>dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van</para>
      <para>€ 37.500,-;</para>
    </parablock>
    <para>- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 181,- dat eiser heeft betaald moet betalen;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder tot betaling van € 379,50,- aan proceskosten. Verweerder moet dit</para>
    <para>bedrag betalen aan eiser.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>J. Fagel, griffier. De beslissing is uitgesproken op 17 januari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier is verhinderd 					de rechter</para>
      <para>deze uitspraak te ondertekenen. 						</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. </para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>