<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:3225</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-28T12:19:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9525622 \ UC EXPL  21-7791</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:3225">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:3225</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-28T12:18:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:3225 Rechtbank Midden-Nederland , 13-07-2022 / 9525622 \ UC EXPL  21-7791</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:3225:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Facturen rioleringswerkzaamheden. Opdracht gegeven als lasthebber, verkeerde partij gedagvaard.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:3225:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold caps">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold">MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Kantonrechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 9525622 \ UC EXPL  21-7791</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 13 juli 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser] B.V.</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>hierna te noemen: [eiser] ,</para>
      <para>gemachtigde mr. D.A. IJpelaar,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] B.V.</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde] ,</para>
      <para>gemachtigde mr. J.M. van Noort.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de dagvaarding met producties 1 tot en met 16, <?linebreak?>- de conclusie van antwoord met producties 1 en 2,  <?linebreak?>- de conclusie van repliek, <?linebreak?>- de conclusie van dupliek met producties 3 en 4.</para>
      <para>- de akte uitlaten producties van [eiser] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Waar gaat het over?</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft op 18 maart 2019 en 29 juli 2019 in opdracht van [gedaagde] rioolwerkzaamheden verricht aan de onroerende zaak aan de [adres 1] / [adres 2] in [plaats] (hierna: het pand). [onderneming 1] B.V. (hierna: [onderneming 1] ) is de eigenaar van dit pand. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op 19 april 2019 en 16 augustus 2019 heeft [eiser] de kosten van de werkzaamheden (€ 18.097,62 respectievelijk € 7.716,79) in rekening gebracht per factuur. Beide facturen zijn gericht aan [onderneming 1] per adres van [gedaagde] . </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De facturen zijn onbetaald gebleven. [eiser] vordert in deze procedure betaling van  € 25.000,-- (waartoe zij om proceseconomische reden haar vordering heeft beperkt) te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en de proceskosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>
        [gedaagde] is het niet eens met de vordering. Zij stelt dat zij bij het geven van de opdracht heeft gehandeld als lasthebber, in naam en voor rekening van [onderneming 1] en dat er tussen [gedaagde] en [eiser] dus geen overeenkomst tot stand is gekomen. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>In de kern gaat dit geschil over de vraag of [gedaagde] de opdracht aan [eiser] voor zichzelf of als (bevoegd) lasthebber van [onderneming 1] heeft verstrekt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [onderneming 1] heeft op 26 maart 2007 een beheerovereenkomst gesloten met [gedaagde] , die destijds nog de naam [onderneming 2] B.V. droeg. [gedaagde] mag op grond van die overeenkomst in naam en voor rekening van [onderneming 1] onder meer opdrachten verstrekken voor onderhoudswerkzaamheden tot € 1.000,00 en voor noodzakelijke maatregelen in spoedeisende gevallen. De overeenkomst wordt door [eiser] niet betwist, zodat van het bestaan van die overeenkomst wordt uitgegaan. </para>
        <para>Partijen zijn het weliswaar niet eens over de grondslag voor de opdrachten (onderhoud tot € 1.000,00 of maatregelen in spoedeisend geval), maar stellen beiden dat [gedaagde] bevoegd was tot het namens [onderneming 1] verstrekken van de opdrachten voor de werkzaamheden die [eiser] op 18 maart 2019 en 29 juli 2019 heeft verricht. Daarom staat vast dat [gedaagde] als gevolmachtigde dan wel lasthebber van [onderneming 1] voor diens rekening de opdrachten heeft verstrekt. Op grond van artikel 3:66 lid 1 BW treffen de gevolgen van de overeenkomst [gedaagde] in beginsel niet. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft aangevoerd dat zij van het bestaan van de volmacht niet op de hoogte was. [gedaagde] stelt dat zij haar hoedanigheid als gevolmachtigde dan wel lasthebber in ieder geval schriftelijk kenbaar heeft gemaakt in haar opdrachtbrieven aan [eiser] van 7 januari 2019 en 20 augustus 2019. In de opdrachtbrieven staat: <emphasis role="italic">‘Namens en in opdracht van [onderneming 1] B.V. verstrekken wij u opdracht[...]’ </emphasis>en <emphasis role="italic">‘Uw nota dient in enkelvoud, vergezeld van een kopie van deze opdracht en een door de huurder getekende werkbon als volgt tenaamgesteld te worden: [onderneming 1] B.V. p/a [gedaagde] B.V.[...]’</emphasis>.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De kantonrechter ziet geen aanleiding om de opdrachtbrieven buiten beschouwing te laten, omdat de brieven aan [eiser] zijn gericht en zij daarmee dus bekend was.  [eiser] is bovendien in deze procedure in de gelegenheid gesteld te reageren op de brieven. De inhoud van de brieven stelt [eiser] niet ter discussie. Zij heeft haar facturen aan [onderneming 1] gericht, zoals in de opdrachtbrieven is opgedragen. Met het handelen van [gedaagde] in hoedanigheid van gevolmachtigde van [onderneming 1] was [eiser] dus bekend, althans kon zij bekend zijn. Deze stelling van [eiser] is daarom onvoldoende onderbouwd. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Omdat [gedaagde] als gevolmachtigde dan wel lasthebber van [onderneming 1] de opdrachten voor de werkzaamheden op 18 maart 2019 en 29 juli 2019 heeft verstrekt, is [gedaagde] niet gebonden aan de gevolgen van de door [eiser] gestelde overeenkomst. [eiser] heeft dus de verkeerde partij in rechte betrokken. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Omdat [eiser] ongelijk heeft gekregen, moet zij de proceskosten van [gedaagde] betalen. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 996,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x € 498,00).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen van [eiser] af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot dit vonnis vastgesteld op € 996,00 aan salaris gemachtigde,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en uitgesproken op 13 juli 2022.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>