<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:2987</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-19T13:48:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 22/ 291</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:2987">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:2987</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-19T13:47:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:2987 Rechtbank Midden-Nederland , 22-07-2022 / UTR 22/ 291</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:2987:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Einde ZW-uitkering, beroep ongegrond. Concrete beroepsgronden ontbreken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:2987:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 22/291</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], te [woonplaats], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. H.K. Jap A Joe),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: J. Swart).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 5 februari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Ziektewet (Zw) per 6 maart 2021 beëindigd. Reden hiervoor is dat eiser op 6 januari 2021 meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 9 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en vervangen door het besluit dat de Zw-uitkering per 14 december 2021 wordt beëindigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser is het hier niet mee eens en heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 8 april 2022 is op een online zitting gesproken over het beroep. Partijen hebben zich ter zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de rechtbank hem ten onrechte geen hersteltermijn heeft geboden voor het indienen van zijn beroepsgronden. Bij zijn voorlopig beroepschrift heeft eiser daar immers om gevraagd. Het voorlopig beroepschrift bevat volgens eiser geen specifieke beroepsgronden. De rechtbank moet hem dan een hersteltermijn geven. Beroepsgronden heeft eiser verder niet ingediend, omdat hij hiervoor een deskundige wil inschakelen en ter bekostiging daarvan bijzondere bijstand heeft aangevraagd.</para>
    <para />
    <para>2. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een beroepschrift ten minste de gronden van het beroep te bevatten. Op grond van artikel 6:6 van de Awb kan het beroep, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb, niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.</para>
    <para />
    <para>3. Volgens rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)<footnote-ref linkend="_ee97a976-f08d-437c-861a-a7bf186305e9" /> wordt aan de motivering van een beroepschrift geen hoge eisen gesteld, maar moet de grond wel voldoende duidelijkheid verschaffen over wat partijen volgens eiser verdeeld houdt. Uit de rechtspraak van de CRvB<footnote-ref linkend="_ad6ddc6e-c654-4c17-9019-037cf10c4c40" /> volgt ook dat een verwijzing naar een algemeen rechtsbeginsel onvoldoende grond is als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.</para>
    <para />
    <para>4. Naar het oordeel van de rechtbank verschaft het voorlopig beroepschrift geen duidelijkheid over wat partijen verdeeld houdt. In het voorlopig beroepschrift heeft eiser namelijk gesteld dat het bestreden besluit ‘<emphasis role="italic">strijdig is zowel met de wet als de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel; verweerder kon voorts bij afweging van alle in aanmerking komende belangen in redelijkheid niet tot het genomen besluit komen</emphasis>’. Hiermee blijft het voorlopig beroepschrift steken in algemeenheden en vermeldt het geen specifieke punten waarom eiser het niet eens is met het besluit. De motivering van het bestreden besluit is uitgebreid en op de zaak toegesneden, zodat het daartegen ingediende beroepschrift een op dat geval betrekking hebbende concrete grond moet bevatten. De rechtbank had eiser daarom inderdaad een nadere termijn moeten bieden voor het indienen van zijn beroepsgronden.</para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank stelt vervolgens vast dat eiser, bijgestaan door een beroepsmatig rechtsbijstandsverlener, naar aanleiding van de uitnodiging voor de zitting van 24 februari 2022 en op de zitting op 8 april 2022 geen nadere toelichting op zijn voorlopig beroepschrift heeft gegeven én niet nogmaals heeft verzocht om een nadere termijn daarvoor. Namens eiser heeft gemachtigde ter zitting verklaard dat hij zich ervan bewust is dat hij het bestreden besluit moet bestrijden met een andere deskundige, dat eiser daarvoor bijzondere bijstand heeft gevraagd, dat de bijzondere bijstand is afgewezen, dat gemachtigde van eiser hem niet kan bereiken en dat gemachtigde het beroep niet kan intrekken zonder de toestemming van eiser. De rechtbank begrijpt hieruit dat namens eiser niet alsnog concrete en specifieke beroepsgronden ingediend (kunnen) worden. </para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank ziet, gelet op de verklaring ter zitting, geen aanleiding om eiser alsnog een hersteltermijn te geven voor het indienen van zijn beroepsgronden. De rechtbank betrekt daarbij het gegeven dat eiser wordt bijgestaan door een beroepsmatig rechtsbijstandsverlener, waarvan verwacht mag worden dat deze onmiddellijk na ontvangst van de uitnodiging voor een zitting alsnog beroepsgronden indient dan wel daartoe een termijn verzoekt. Hiervan uitgaande en gelet op het besprokene ter zitting is de rechtbank van oordeel dat er voldoende gelegenheid is geweest voor eiser om de gronden aan te vullen. De rechtbank stelt vast dat concrete beroepsgronden ontbreken. Het beroep is ongegrond.  </para>
    <para />
    <para>7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door R. in 't Veld, rechter, in aanwezigheid van M.S.D. de Weerd, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De rechter is verhinderd deze </title>
    <bridgehead role="italic">	uitspraak te ondertekenen</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_ee97a976-f08d-437c-861a-a7bf186305e9" label="1">
    <para> Uitspraak van 19 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH8663</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ad6ddc6e-c654-4c17-9019-037cf10c4c40" label="2">
    <para> Uitspraak van 27 december 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AD8574</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>