<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:2952</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-03T09:54:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 20/4704</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:2952">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:2952</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-08T13:46:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:2952 Rechtbank Midden-Nederland , 25-07-2022 / UTR 20/4704</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:2952:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep gegrond want Uwv heeft pas in beroep voldoende concreet gemotiveerd dat het ontbreken van arbeidsvermogen bij de werknemer niet duurzaam is. Rechtsgevolgen blijven dus in stand. Veroordeling proceskosten. De deskundigenkosten niet want geen factuur.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:2952:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 20/4704</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2022 in de zaak tussen</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [eiseres] te [woonplaats] , eiseres</title>
    <para>(gemachtigde: mr. M.H. Feiken)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</title>
    <para>(gemachtigde: mr. M. Hoogeveen).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>De heer [werknemer] (hierna: de werknemer) werkte als chauffeur bij eiseres voor gemiddeld 41,36 uur per week. Op 25 juli 2018 heeft hij zich voor dit werk ziekgemeld. Na het verstrijken van de wachttijd van 104 weken, heeft hij per 21 juli 2020 een uitkering aangevraagd op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv hebben onderzoek gedaan naar de medische toestand van de werknemer op 21 juli 2020 en zijn vermogen tot het verrichten van arbeid. Zij hebben geconcludeerd dat de werknemer volledig arbeidsongeschikt is, maar volgens de verzekeringsarts is die situatie niet duurzaam omdat een operatie zijn gezondheidstoestand (en daarmee zijn arbeidsvermogen) nog zou kunnen verbeteren. In het besluit van 3 juli 2020 heeft het Uwv de werknemer daarom per 21 juli 2020 een loongerelateerde WGAuitkering toegekend gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. Omdat de werknemer op 1 december 2021 de pensioengerechtigde leeftijd bereikt heeft het Uwv in het besluit opgenomen dat de uitkering dan eindigt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Eiseres is eigenrisicodrager voor de WIA, zodat de betaling van de loongerelateerde WGAuitkering van de werknemer voor haar rekening komt. Zij heeft bezwaar gemaakt. In het besluit van 11 november 2020 (het bestreden besluit<emphasis role="italic">)</emphasis> heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de loongerelateerde WGAuitkering in stand gelaten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld. De rechtbank heeft van de werknemer geen toestemming  gekregen voor het toezenden van stukken aan eiseres waar medische gegevens in staan. De rechtbank heeft daarom op 26 maart 2021 beslist dat de gemachtigde van eiseres bijzondere toestemming krijgt om kennis te nemen van de medische stukken. In reactie op het beroep heeft het Uwv een verweerschrift en een aanvullend rapport van zijn verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 april 2021 ingediend. Eiseres heeft hierop gereageerd en een rapport van verzekeringsarts [verzekeringsarts] van [medische groep] van 14 juli 2021 meegestuurd. Hierop heeft het Uwv een aanvullend rapport van zijn verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 september 2021 ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>De zaak is op 11 oktober 2021 bij de rechtbank op een zitting behandeld. Zowel eiseres als het Uwv hebben zich hierbij laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en partijen de gelegenheid gegeven om nadere informatie in te dienen. Dit heeft het Uwv gedaan met een aanvullend rapport van zijn verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 november 2021. Eiseres heeft bij brief van 28 januari 2022 gereageerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <para>Met toestemming van partijen heeft de rechtbank het onderzoek op 4 mei 2022 gesloten.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Het beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Eiseres voert aan dat het Uwv de werknemer ten onrechte geen Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) heeft toegekend. Volgens eiseres blijkt uit de tekst van artikel 4, eerste lid van de Wet WIA dat de vraag of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, gerelateerd moet worden aan zijn/haar verdienvermogen. De werknemer zal na 1 december 2021 in ieder geval geen verdienvermogen meer hebben, omdat hij dan met pensioen is. Hij zal feitelijk dan ook niet meer kunnen re-integreren in werk en is bovendien niet meer verzekerd voor de Wet WIA. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van het Uwv hebben bij hun beoordeling van de duurzaamheid dan ook ten onrechte verder gekeken dan tot 1 december 2021.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Volgens eiseres is de kans dat de arbeidsmogelijkheden van de werknemer voor 1 december 2021 zodanig verbeteren dat hij weer 20% van zijn maatmanloon per uur kan verdienen, niet reëel. Dat dit het geval zou zijn is in ieder geval onvoldoende (concreet) onderbouwd door het Uwv. De operatie zal vanwege de wachtlijsten die zijn ontstaan door het coronavirus waarschijnlijk niet voor 1 december 2021 plaatsvinden. Bovendien heeft de werknemer eerder al een operatie ondergaan en moest toen 17 maanden revalideren, zonder resultaat. Ter onderbouwing van haar betoog wijst eiseres op het door haar ingebrachte rapport van verzekeringsarts [verzekeringsarts] . [verzekeringsarts] onderschrijft het standpunt van eiseres en schrijft onder meer dat de enkele verwijzing naar een operatie, terwijl die door de behandelend arts van de werknemer niet is voorgeschreven, onvoldoende is om van een toekomstige verbetering van de belastbaarheid uit te gaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van het beroep</title>
    <para />
    <para>3. Zoals gezegd heeft de werknemer de rechtbank geen toestemming gegeven om stukken met medische gegevens te delen met eiseres. Om te voorkomen dat die medische gegevens langs deze weg alsnog openbaar worden, zal de rechtbank medische terminologie zoveel mogelijk vermijden bij de motivering van haar uitspraak.</para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk in de zaak. Waarom dat zo is, legt de rechtbank hierna uit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Pensioengerechtigde leeftijd</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt hij, die als rechtstreeks en objectief vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Volgens het tweede en derde lid wordt onder duurzaam verstaan: een medisch stabiele of verslechterende situatie of een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt dus objectief medisch moet worden vastgesteld. Hieruit leidt de rechtbank af dat de leeftijd van degene waarvan de belastbaarheid beoordeelt wordt daarbij géén rol mag spelen. Het betoog van eiseres dat de werknemer in elk geval geen verdienvermogen meer heeft als hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, kan de rechtbank niet volgen. Binnen de systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling wordt het verdienvermogen (afgezet tegen het maatmanloon of het minimumloon) gebruikt om het arbeidsvermogen te berekenen. Dat betekent niet dat iemand geen verdienvermogen heeft als diegene om een andere reden dan door ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling feitelijk geen geld verdient of kan verdienen. Hetzelfde geldt voor het feit dat de werknemer als hij na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet meer werkt, niet meer verzekerd is voor de Wet WIA. In artikel 4 van de Wet WIA wordt niet gesproken van verzekerde. Het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd is dan ook terecht niet betrokken bij de beoordeling.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Duurzaamheid</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>Het Uwv acht de werknemer per 21 juli 2020 niet duurzaam volledig arbeidsongeschikt en heeft zich daarbij gebaseerd op rapporten van zijn verzekeringsarts bezwaar en beroep.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>De rechtbank overweegt dat de verzekeringsarts bij zijn beoordeling van de duurzaamheid, een inschatting moet maken van de herstelkansen van de betrokkene, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden. Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. Als de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette of nog in te zetten) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. Dit is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB).<footnote-ref linkend="_6d8a8229-fbab-4d74-87e7-f05fbaa0694f" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <para>Het Uwv heeft in dit kader de interne richtlijn ‘Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen’ ontwikkeld. Volgens dit beoordelingskader zijn arbeidsbeperkingen duurzaam als verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten, of verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks is te verwachten. Het beoordelingskader bevat een stappenplan dat de verzekeringsarts (en wat de derde stap betreft in overleg met de arbeidsdeskundige) doorloopt bij de prognose van de arbeidsbeperkingen. Hierbij moet worden uitgegaan van de medische situatie zoals die is op het moment van de beoordeling. Het stappenplan is als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Stap 1: De verzekeringsarts beoordeelt of verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. Dat is het geval als sprake is van:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">een progressief ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden of</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden.</emphasis>
          </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para>
        <emphasis role="italic">Stap 2: Als verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten beoordeelt de verzekeringsarts in hoeverre die verbetering in het eerstkomende jaar kan worden verwacht en gaat daarbij na of één van de volgende twee mogelijkheden aan de orde is:</emphasis>
      </para>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden.</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten.</emphasis>
          </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Als voor de keuze tussen 2a en 2b doorslaggevende argumenten ontbreken, gaat de verzekeringsarts uit van een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Stap 3: Als in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks verbetering van de belastbaarheid kan worden verwacht (stap 2b is van toepassing) beoordeelt de verzekeringsarts of en zo ja in hoeverre die na het eerstkomende jaar nog kan worden verwacht. Ook nu zijn er twee mogelijkheden:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden; dit is alleen het geval als van een behandeling vaststaat dat die eerst op langere termijn kan zijn gericht op verbetering van de belastbaarheid;</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks ter verwachten: alle overige gevallen.</emphasis>
          </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4</nr>
      <para>In de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep komt naar voren dat er bij de werknemer allereerst geen sprake is van een progressief of stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden (stap 1). De aandoening is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep vervolgens ook niet zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden meer kan worden verwacht in het eerstkomende jaar (stap 2a). De werknemer heeft op 28 februari 2019 al een (deel)operatie ondergaan, waarna zijn klachten aanvankelijk verbeterden maar later toch terugkwamen. Dat betekent volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep echter niet dat verbetering van zijn belastbaarheid is uitgesloten na een hersteloperatie of een nieuwe (totaal)operatie. Ten tijde van het onderzoek in bezwaar was de werknemer in afwachting van onderzoeken in het kader van een second opinion daarover. Omdat deze onderzoeken dat moment nog plaats moesten vinden en er al diverse medische stukken van de behandeld arts van de werknemer in het dossier zaten, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding gezien om hierover informatie op te vragen. Het was ten tijde van de beoordeling dus nog niet zeker of de werknemer voor een tweede operatie in aanmerking zou komen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zou een hersteloperatie of (totaal)operatie wel een voor de hand liggende ontwikkeling zijn, en zou zo’n operatie mogelijk tot meer beweeglijkheid bij de werknemer kunnen leiden. Hierdoor kunnen de pijnklachten verminderen, wat op zijn beurt de belastbaarheid van de werknemer ten aanzien van lopen, duwen en trekken, zitten, tillen en dragen kan verbeteren. In haar aanvullende rapporten in beroep schrijft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat zij zich hierbij heeft gebaseerd op algemene voorlichting van gespecialiseerde centra op dit gebied. Daaruit blijkt dat een (totaal)operatie doorgaans gebruikelijk is na een (deel)operatie, waarbij vergelijkbare resultaten kunnen worden verwacht. Bij meer dan 70% van de patiënten die een (totaal)operatie ondergaan zijn de pijnklachten en het dagelijks functioneren een jaar daarna verbeterd, waarvan bij meer dan 58% sprake is van een sterke verbetering. Het ontbreken van arbeidsvermogen kan op 21 juli 2020 daarom niet duurzaam worden geacht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5</nr>
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep deugdelijk gemotiveerd waarom het ontbreken van arbeidsvermogen bij de werknemer niet duurzaam is. De rechtbank ziet dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het stappenplan heeft gevolgd. Haar inschatting berust verder op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die op 21 juli 2020 bij de werknemer aan de orde waren. De rechtbank kan volgen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten tijde van haar beoordeling geen nadere medische informatie heeft opgevraagd bij de behandelend arts van de werknemer. De onderzoeken moesten immers nog plaatsvinden. Zij heeft ook voldoende toegelicht waarom een tweede operatie, ondanks dat de eerder (deel)operatie niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd, nu wél tot een verbetering van de belastbaarheid van de werknemer kan leiden. Hiervoor is, in tegenstelling tot wat eiseres meent, niet vereist dat al vaststaat dat de betrokkene voor de betreffende behandeling in aanmerking komt. Het gaat immers om de vraag of</para>
        <para>er een redelijke of goede verwachting bestaat dat er verbetering van de belastbaarheid zal optreden. De rechtbank kan volgen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze vraag bevestigend heeft beantwoord, nu de eerste operatie aanvankelijk tot verbetering leidde en de algemene cijfers en prognoses uit de gespecialiseerde sector positief zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft tot slot ook duidelijk uiteengezet tot welke resultaten een tweede operatie in geval van de werknemer kan leiden, en welk van zijn beperkingen daarmee kunnen verbeteren.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.6</nr>
      <para>Dat een tweede operatie (ondanks dat de eerdere operatie uiteindelijk niet het gewenste resultaat had) een reële kans biedt op verbetering van de belastbaarheid gelet op cijfers en prognoses uit de gespecialiseerde sector, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank echter pas in beroep voldoende gemotiveerd met het aanvullende rapport van zijn verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 november 2021. Dat betekent dat er sprake was van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit op het moment dat eiseres beroep instelde.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1</nr>
      <para>Gelet op het hiervoor genoemde motiveringsgebrek, verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt zij het bestreden besluit. Omdat het Uwv dit motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld met het aanvullende rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 november 2021, bepaalt de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Dat betekent dat het beroep van eiseres weliswaar gegrond is, maar dat eiseres inhoudelijk geen gelijk krijgt in de zaak. De aan de werknemer toegekende loongerelateerde WGAuitkering per 21 juli 2020 blijft in stand.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2</nr>
      <para>Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart veroordeelt zij het Uwv in de proceskosten die eiseres in beroep heeft gemaakt. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) stelt de rechtbank de kosten voor de beroepsmatige rechtsbijstand van de gemachtigde van eiseres vast op € 1.518,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 759,-- onder een wegingsfactor 1). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3</nr>
      <para>Eiseres heeft ook verzocht om vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt voor het inschakelen van verzekeringsarts [verzekeringsarts] tot een bedrag van € 804,24. Eiseres is tot dit bedrag gekomen door de 6,25 uur die [verzekeringsarts] volgens haar rapport van 14 juli 2021 aan haar onderzoek heeft besteed, te vermenigvuldigen met het forfaitair uurtarief van € 134,04 exclusief BTW uit het Besluit tarieven in strafzaken dat gold van 19 juni 2021 tot en met 31 december 2021. De rechtbank vindt dat eiseres de deskundigenkosten hiermee onvoldoende heeft onderbouwd. Eiseres heeft geen factuur overgelegd, zodat onduidelijk is wat de daadwerkelijke deskundigenkosten zijn geweest. In de toelichting op het formulier proceskosten is uitdrukkelijk opgenomen dat een proceskostenverzoek zoveel mogelijk moet worden onderbouwd met schriftelijke bewijsstukken. De deskundigenkosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>8.	De rechtbank bepaalt tot slot dat het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht van € 354,-- aan eiseres vergoedt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para> verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para> vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para> bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;</para>
      <para> veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.518,--;</para>
      <para> bepaalt dat het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht van € 354,-- aan haar vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer  de Bruin, griffier. De beslissing is op 25 juli 2022 in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. De uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_6d8a8229-fbab-4d74-87e7-f05fbaa0694f" label="1">
    <para> Zie de uitspraak van de CRvB van 4 februari 2009, ECLI:CRVB:2009:BH1896.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>