<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:2839</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-02T12:50:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-02-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/274-V</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:2839">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:2839</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-02T12:47:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:2839 Rechtbank Midden-Nederland , 07-02-2022 / 20/274-V</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:2839:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzet ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:2839:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: UTR 20/274-V en UTR 20/933-V t/m UTR 20/940-V</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 februari 2022 op het verzet van </bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [opposante] , te [woonplaats] , opposante,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE)</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposante heeft beroep ingediend tegen de uitspraak op bezwaar van 3 december 2019 van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht ( BGHU ), waarbij haar bezwaar wegens te late indiening niet-ontvankelijk is verklaard.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de uitspraak van 12 augustus 2021 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposante heeft tegen deze uitspraak een verzetschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2022 via een Skypeverbinding. Namens opposante heeft haar gemachtigde deelgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De BGHU is niet verschenen (met bericht van verhindering).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank heeft de uitspraak van 12 augustus 2021 gedaan zonder dat zij een zitting heeft gehouden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als over de uitkomst van de procedure in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. </para>
    <para />
    <para>2. In deze verzetsprocedure is de beoordeling van de rechtbank beperkt tot de vraag of de uitspraak van de rechtbank van 12 augustus 2021 in stand kan blijven Zo ja, dan is het verzet ongegrond en blijft de eerdere uitspraak in stand. Zo nee, dan is het verzet gegrond en vervalt de eerdere uitspraak.</para>
    <para />
    <para>3. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 12 augustus 2021 niet juist omdat zij het bezwaar wel op tijd heeft ingediend. Zij heeft de aanslag later ontvangen.  Opposante geeft aan een email te hebben gestuurd naar de BGHU waarin zij verzoekt de juiste verzending van de aanslag aan te tonen. Zo’n email stuurt zij altijd op het moment dat er gevraagd wordt om de reden van de te late indiening van het bezwaar. De BGHU had moeten overleggen over de reactie op de brief waarin zij vragen om de rede van de te late indiening. Verder wordt er een beroep gedaan op betalingsonmacht. Opposante maakt ook bezwaar tegen de ambtshalve splitsing van de beroepen door de rechtbank. Daarnaast maakt opposante wegens mogelijke overschrijding van de redelijke termijn aanspraak op immateriële schadevergoeding. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank is van oordeel dat in de uitspraak van 12 augustus 2021 het beroep van opposante terecht kennelijk ongegrond is verklaard. De enkele stelling van opposante op de zitting dat zij de aanslag later heeft ontvangen, is voor de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de verzending van die aanslag op de datum die daarop staat vermeld. Opposante heeft niet benoemd wanneer zij die aanslag dan wel precies heeft ontvangen, zodat niet vast te stellen is of zij na ontvangst in elk geval zo spoedig mogelijk het bezwaarschrift heeft ingediend. Verder zit de email waaraan opposante refereert niet in het dossier en heeft opposante deze ook tijdens de zitting niet kunnen laten zien.  </para>
    <para />
    <para>5. Wat opposante heeft aangevoerd over de splitsing van de beroepen door de rechtbank en het beroep op betalingsonmacht kan niet tot een ander oordeel leiden. De uitspraak van 12 augustus 2021 gaat over het niet tijdig indienen van een bezwaarschrift, niet over het niet betalen van griffierecht. </para>
    <para />
    <para>6. Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak waartegen verzet is gedaan in stand blijft.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Overschrijding redelijke termijn</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Opposante heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het overzichtsarrest van de Hoge Raad<footnote-ref linkend="_e1546317-66c6-417b-960c-8f75f5abc023" />. Voor een uitspraak in eerste aanleg geldt dat deze binnen een termijn van 24 maanden gedaan wordt, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt aan op het moment dat de BGHU het bezwaarschrift ontvangt. Gelet op het feit dat het bezwaarschrift op 11 oktober 2019 door de BGHU is ontvangen, is de termijn op die datum aangevangen. De rechtbank overweegt hierbij dat door de corona-pandemie sprake is van factoren die aanleiding geven om de overschrijding van de behandelingsduur van de bezwaar- en beroepsfase te verlengen. Daarbij wijst de rechtbank op de naar aanleiding van de uitbraak van het coronavirus met ingang van 16 maart 2020 getroffen ingrijpende maatregelen. Daardoor hebben geen verzetzittingen plaatsvonden van circa half maart tot half juni 2020. Daarna zijn de zittingen via Skype weer geleidelijk opgestart. Een en ander geeft de rechtbank aanleiding om de redelijke termijn met vier maanden te verlengen. De rechtbank houdt daarbij rekening met de periode waarin de gerechtsgebouwen waren gesloten en een termijn van twee maanden voor het opnieuw inplannen van zittingen. Gelet op het feit dat de termijn op 11 oktober 2019 is aangevangen, de  redelijke termijn 28 maanden is (24 plus 4 vanwege de corona-pandemie) en de rechtbank uitspraak doet op 7 februari 2022 – is er geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn zodat de eis tot schadevergoeding wordt afgewezen. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-verklaart het verzet ongegrond;</para>
      <para>-wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is uitgesproken op 7 februari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak? </title>
    <para>Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de verzenddatum ervan beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. De datum van verzending ziet u op de stempel die hierboven staat. </para>
  </section>
  <footnote id="_e1546317-66c6-417b-960c-8f75f5abc023" label="1">
    <para> ECLI:NL:HR:2016:252</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>