<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:2817</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-04T12:03:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 19/1756 en UTR 19/3265</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:2817">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:2817</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-04T12:02:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:2817 Rechtbank Midden-Nederland , 01-07-2022 / UTR 19/1756 en UTR 19/3265</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:2817:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>uitspraak over de proceskosten na intrekking van het beroep, verzoek om verweerder te veroordelen in de gemaakte proceskosten toegewezen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:2817:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: UTR 19/1756 en UTR 19/3265</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2022 in de zaken tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S. Maachi),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] ).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de besluiten van 20 juli 2017 (primaire besluiten I) heeft verweerder het kindgebonden budget en de huurtoeslag van verzoekster over de jaren 2012 tot en met 2015 definitief berekend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de besluiten van 31 december 2018 (primaire besluiten II) heeft verweerder het kindgebonden budget over de jaren 2016 en 2017 definitief berekend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 17 april 2019 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen de primaire besluiten I ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 17 juli 2019 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen de primaire besluiten II ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.<footnote-ref linkend="_cfeb368f-083e-4484-bf61-338dfde232cc" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de beroepen op 26 september 2019 op zitting behandeld. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 4 november 2019 heeft de rechtbank het onderzoek heropent en de beroepen aangehouden in afwachting van een hoger beroepsprocedure bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en een hoger beroepsprocedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De CRvB heeft op 23 februari 2021 uitspraak gedaan<footnote-ref linkend="_b58c4feb-1361-4f3c-8acd-3bf9ba95ab25" /> en de ABRvS op 26 januari 2022<footnote-ref linkend="_35fd46d8-e129-406e-8690-67f8ac2a5ca9" />. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft gereageerd op deze uitspraken en wat dit betekent voor de beroepsprocedures. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft naar aanleiding van de uitspraak van de ABRvS op 1 maart 2022 de bestreden besluiten I en II herzien en het bezwaar gegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft de beroepen gehandhaafd.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2022 op zitting behandeld. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, mr. [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de zitting heeft verzoekster de beroepen ingetrokken met het verzoek verweerder te veroordelen in de door haar gemaakt proceskosten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op de zitting meegedeeld dat hij bereid is om drie punten aan proceskosten te vergoeden.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan op het verzoek. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 2.277,-;</para>
    <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 94,- aan verzoekster te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.</para>
    <para />
    <para>2. Verweerder is tegemoetgekomen aan de beroepen van verzoekster. Op de zitting heeft verweerder erkend dat de primaire besluiten onrechtmatig zijn. Vervolgens heeft verzoekster op de zitting de beroepen ingetrokken met het verzoek om verweerder te veroordelen in de door haar gemaakte proceskosten. Verweerder heeft op de zitting meegedeeld dat hij bereid is om voor de beroepsprocedures drie punten aan proceskosten te vergoeden. Over de proceskosten van de bezwaarprocedures heeft verweerder erop gewezen dat hij hiervoor in het nieuwe besluit van 1 maart 2022 al één punt heeft toegekend.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank wijst het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten toe. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.277,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 26 september 2019 en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 1 juli 2022 met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). Er wordt voor beide beroepsprocedures (dus met zaaknummers 19/1756 én 19/3265) één vergoeding toegekend, omdat deze worden aangemerkt als samenhangende zaken.  </para>
    <para />
    <para>4. In het nieuwe besluit van 1 maart 2022 heeft verweerder al een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. Voor zover verweerder de toegekende vergoeding voor de bezwaarfase nog niet heeft betaald, wordt verweerder opgedragen dit alsnog te doen. </para>
    <para />
    <para>5. Verder bepaalt de rechtbank dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht van € 94,- moet vergoeden (€ 47,- per beroepsprocedure). </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2022 door mr. M.P. Glerum, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
  </section>
  <footnote id="_cfeb368f-083e-4484-bf61-338dfde232cc" label="1">
    <para> Het beroep tegen het besluit van 17 april 2019 is geregistreerd onder zaaknummer UTR 19/1756. Het beroep teen het besluit van 17 juli 2019 is geregistreerd onder zaaknummer UTR 19/3265.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b58c4feb-1361-4f3c-8acd-3bf9ba95ab25" label="2">
    <para> ECLI:NL:CRVB:2021:376.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_35fd46d8-e129-406e-8690-67f8ac2a5ca9" label="3">
    <para> ECLI:NL:RVS:2022:231.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>