<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:2691</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-23T15:40:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 22/2069</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:2691">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:2691</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-23T15:39:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:2691 Rechtbank Midden-Nederland , 05-07-2022 / UTR 22/2069</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:2691:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing aanvraag om bijstand. Vovo afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:2691:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 22/2069</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juli 2022 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker] en [verzoeker 2] , te [plaats] , verzoekers</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M. Raaijmakers),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: M. Notenboom).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 13 mei 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekers van 7 mei 2022 om bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft hybride plaatsgevonden op 27 juni 2022. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde via Teams. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para />
    <para>1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.</para>
    <para />
    <para>2. Bij besluit van 24 maart 2022 heeft verweerder de bijstand van verzoekers ingetrokken vanaf 16 februari 2022 omdat zij de inlichtingenplicht hebben geschonden. Volgens verweerder heeft verzoeker werkzaamheden dan wel activiteiten verricht in een garagebox in Utrecht en die niet doorgegeven. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op een handhavingsrapportage van 22 maart 2022. Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar ingesteld. De gronden van bezwaar zijn nog niet ingediend. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 8 april 2022 hebben verzoekers een aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van <?linebreak?>3 mei 2022 is deze aanvraag afgewezen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 7 mei 2022 hebben verzoekers onderhavige aanvraag om bijstand ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft verweerder verklaard dat verzoekers op 22 mei 2022 een nieuwe aanvraag om bijstand hebben ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Spoedeisend belang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekers voldoende hebben aangetoond dat er sprake is van spoedeisend belang bij onderhavig verzoek om een voorlopige voorziening. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voorlopig rechtmatigheidsoordeel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft zich in het primaire besluit op het standpunt gesteld dat verzoekers geen nieuwe redenen hebben gegeven om bijstand te verlenen. </para>
    <para />
    <para>5. Verzoekers voeren in bezwaar aan dat er geen sprake is van het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten. Volgens verzoeker wist hij niet dat hij niet in de garage mocht komen. Hij komt daar enkel om de tijd te doden. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben verzoekers een verklaring van de heer [A] overgelegd waarin hij verklaart dat verzoeker niet de huurder is van de box op [adres] in [plaats] .</para>
    <para />
    <para>6. De te beoordelen periode loopt van 7 mei 2022 tot 13 mei 2022.</para>
    <para />
    <para>7. Indien periodieke bijstand is beëindigd of ingetrokken en de betrokkene een aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.<footnote-ref linkend="_f5cbd0a6-3255-47c4-8602-c1bb9588053c" /></para>
    <para />
    <para>8. De voorzieningenrechter oordeelt dat het, gelet op de op verzoekers rustende bewijslast, op hun weg lag om de gerezen twijfel over de werkzaamheden in de garagebox weg te nemen. Verzoekers zijn daar niet in geslaagd. Verzoekers hebben in het kader van de intrekkingsprocedure nog geen inhoudelijke bezwaargronden ingediend. In onderhavige procedure hebben verzoekers op geen enkele wijze onderbouwd dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden. De - ongedateerde - verklaring van de heer [A] geeft geen duidelijkheid over de vraag of verzoeker werkzaamheden verricht in de garagebox. Daarbij merkt de rechtbank op dat de heer [A] eerder heeft verklaard dat verzoeker wel huurder is van de garagebox. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Belangenafweging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekers die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder die pleiten tegen het treffen daarvan, als volgt.</para>
    <para />
    <para>10. Op grond van de nu voorhanden zijnde gegevens heeft het bezwaar van verzoekers naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen. Als er een (voorschot op een) bijstandsuitkering aan verzoekers wordt toegekend en het primaire besluit blijft in bezwaar in stand, dan kunnen verzoekers deze niet terugbetalen. Dit restitutierisico moet zwaarder wegen dan het belang van verzoeker om bijstand te ontvangen. Aangezien ook overigens, gelet op de betrokken belangen, in dit geval geen aanleiding bestaat voor het treffen van de gevraagde voorziening, zal het verzoek worden afgewezen.</para>
    <para />
    <para>11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Ettikhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op <?linebreak?>5 juli 2022. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier							voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_f5cbd0a6-3255-47c4-8602-c1bb9588053c" label="1">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 november 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3660).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>