<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:186</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-15T09:44:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-01-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 21 _ 2096</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:186">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:186</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-15T09:42:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:186 Rechtbank Midden-Nederland , 19-01-2022 / AWB - 21 _ 2096</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:186:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep niet tijdig beslissen op aanvraag; prematuur; niet-ontvankelijk: terug verwijzing</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:186:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 21/2096</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats] , eisers</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S. Ben Kaddour-Eljarroudi),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Wijk bij Duurstede</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: A. Kabaktepe).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 4 mei 2021 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvraag </para>
      <para>om verlenging van persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Jeugdwet(Jw) ten </para>
      <para>behoeve van twee van hun kinderen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 14 juli 2021 heeft verweerder alsnog beslist op de aanvraag. Bij dat besluit </para>
      <para>heeft verweerder de aanvraag van eisers afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers hebben daartegen bezwaar ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2021 via Skype. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook zijn verschenen [A] en [B] van [stichting] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ten aanzien van het beroep tegen het niet tijdig beslissen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank.<footnote-ref linkend="_0dc2729f-7675-4607-912c-54911c28bb99" /> Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.<footnote-ref linkend="_d56e4e2f-b4ed-4961-967e-b8e63fbb4906" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt eisers</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eisers stellen zich op het standpunt dat zij na het aflopen van de eerste toekenning van pgb in een gesprek met [stichting] in september 2018 hebben gevraagd om verlenging van het pgb. Met de brief van 3 juni 2019 hebben eiseres verweerder in gebreke gesteld, omdat de termijn om te beslissen op hun aanvraag reeds lange tijd is verstreken. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt verweerder</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De rechtbank overweegt dat verweerder in zijn brief van 28 juni 2019 eisers heeft laten weten dat de brief van 3 juni 2019 geen ingebrekestelling kan zijn, omdat eisers in september 2018 weliswaar met verweerder hebben gesproken over een verlenging van het pgb, maar  geen aanvraag hebben ingediend. Omdat eisers in de brief van 3 juni 2019 hebben verzocht een besluit over het pgb te nemen over de periode direct aansluitend op de eerder gegeven indicatie (1 september 2018 tot 3 juni 2019) beschouwt verweerder de brief van </para>
    <para>3 juni 2019 als een eerste aanvraag om voortzetting van het pgb met terugwerkende kracht vanaf 1 september 2018.</para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank stelt vast dat in de gedingstukken geen aanvraag om verlenging van het pgb van september 2018 is aangetroffen. Eisers hebben ook niet anderszins aannemelijk gemaakt dat zij voorafgaand aan hun brief van 3 juni 2019 een aanvraag om verlenging van het pgb hebben ingediend. Daarbij komt dat uit de gedingstukken niet is gebleken dat eisers het standpunt van verweerder in de brief van 28 juni 2019 hebben betwist. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er vóór 3 juni 2019 geen aanvraag om verlenging van het pgb door eisers is gedaan. </para>
    <para />
    <para>5. Omdat geen aanvraag door eisers is gedaan, is de ingebrekestelling van eisers van 3 juni 2019 prematuur, met andere woorden te vroeg, ingediend. Het beroep van eisers is daarom niet-ontvankelijk. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ten aanzien van het besluit van 14 juli 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Verweerder heeft bij zijn besluit van 14 juli 2021 de aanvraag van eisers om het pgb te verlengen afgewezen. Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, nu dit besluit niet aan het beroep tegemoetkomt.</para>
    <para />
    <para>7. Eisers hebben bij brief van 5 augustus 2021 bezwaar tegen het besluit van 14 juli 2021  ingediend. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om het beroep niet af te doen maar  te verwijzen naar verweerder voorde behandeling  van het bezwaar (artikel 6:20, vierde lid, van de Awb).</para>
    <para />
    <para>8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;</para>
    <para />
    <para>- verwijst het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 14 juli 2021 ter behandeling als bezwaar terug naar verweerder. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. S.M. Gena, griffier. De beslissing is uitgesproken op 19 januari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">de rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_0dc2729f-7675-4607-912c-54911c28bb99" label="1">
    <para>Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d56e4e2f-b4ed-4961-967e-b8e63fbb4906" label="2">
    <para> Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>