<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:1595</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-24T16:29:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 21/4557 – vervallen verklaring</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:1595">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:1595</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-24T16:27:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:1595 Rechtbank Midden-Nederland , 22-04-2022 / UTR 21/4557 – vervallen verklaring</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:1595:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervallen verklaring uitspraak, twee zaaknummers en uitspraken op hetzelfde beroep.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:1595:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold"> RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 21/4557 – vervallen verklaring</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.M. Breukers),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 25 maart 2021 heeft eiser een beroep ingediend tegen het niet tijdig nemen van een beslissing. Dit beroep is door deze rechtbank bij uitspraak van 18 juni 2021 met zaaknummer UTR 21/1469 gegrond verklaard. De rechtbank heeft daarin verweerder een termijn van twee weken opgelegd om een besluit te nemen en bepaald dat als verweerder dit niet doet hij een dwangsom verbeurt van € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft vervolgens een beroep tegen het niet tijdig beslissen naar aanleiding van de uitspraak van 18 juni 2021 ingediend. Bij uitspraak van 20 januari 2022 heeft de rechtbank in de onderhavige zaak met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van eiser gegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank kan een uitspraak die zij heeft gedaan ambtshalve vervallen verklaren. Een vervallenverklaring kan alleen in zeer bijzondere gevallen en als er geen wettelijke oplossing is. Deze buitenwettelijke beslissing dient niet om gebreken in de motivering van de uitspraak naar aanleiding van een schriftelijke reactie van één der partijen te repareren, maar uitsluitend tot herstel van een ernstige, niet voor rectificatie vatbare fout van de rechter die niet door het instellen van enig rechtsmiddel kan worden ondervangen.<footnote-ref linkend="_b3e949ef-cdb7-4baf-b9ce-199abd0e0572" /> De rechtbank vindt dat de uitspraak van 20 januari 2022 vervallen moet worden verklaard. Dat legt zij hierna uit.</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank heeft geconstateerd dat eiser zijn beroep gericht tegen het door verweerder niet tijdig beslissen na de uitspraak van 18 juni 2021 met zaaknummer UTR 21/1469 zowel per e-mail als per post heeft ingediend. Dit beroep is door de rechtbank ontvangen op respectievelijk 12 november 2021 en 15 november 2021. Dit heeft ertoe geleid dat er twee verschillende zaaknummers zijn aangemaakt voor hetzelfde beroep, namelijk UTR 21/4511 en UTR 21/4557. </para>
    <para>3. De rechtbank heeft op 19 januari 2022 in de zaak UTR 21/4511 uitspraak gedaan op het beroep van eiser, waarin het beroep gegrond is verklaard. Dit maakt dat de uitspraak van 20 januari 2022 gericht op hetzelfde beroep evident onverplicht en ten onrechte is genomen. Omdat de verzetstermijn in de beide zaken is verstreken staat er geen rechtsmiddel open en ziet de rechtbank een vervallenverklaring als enige mogelijkheid voor herstel. De rechtbank merkt daarbij op dat het dictum in de beide uitspraken hetzelfde is en eiser met een vervallenverklaring dus niet in zijn belangen wordt geschaad.</para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank verklaart daarom de uitspraak van 20 januari 2022 ambtshalve vervallen. Omdat het zaaknummer UTR 21/4557 ten onrechte is aangemaakt, is deze zaak met de onderhavige uitspraak afgesloten. </para>
    <para />
    <para>5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 januari 2022 met zaaknummer UTR 21/4557 vervallen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. </para>
  </section>
  <footnote id="_b3e949ef-cdb7-4baf-b9ce-199abd0e0572" label="1">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 2 september 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR2963. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>