<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:1580</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-26T12:07:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 22/1639</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:1580">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:1580</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-25T11:07:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:1580 Rechtbank Midden-Nederland , 20-04-2022 / UTR 22/1639</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:1580:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Handhaving na onherroepelijk worden van intrekking vergunningen van een biovergistings- en biogasinstallatie op grond van de Bibob-toets. </para>
        <para>De voorzieningenrechter heeft geen ernstige twijfel aan de rechtmatigheid van de besluiten tot oplegging van lasten onder dwangsom voor het staken van de werkzaamheden. Er is geen concreet zicht op legalisatie ondanks de ingediende nieuwe aanvraag. Er zijn te veel onduidelijkheden of deze op korte termijn kan worden verleend. Handhaving is ook niet onevenredig. Het bedrijf vreest voor een faillissement. Maar het belang van op een veilige en legale manier produceren van biogas mag zwaarder wegen dan het belang van bedrijf. Het zonder vergunningen laten doordraaien van het bedrijf (een IPPC-installatie) is een zeer onwenselijke situatie. Het college kan het bedrijf dan niet via bestuursrechtelijke weg controleren. Verder heeft het bedrijf al een lange termijn gehad om te herstructureren.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:1580:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 22/1639</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 april 2022 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [verzoekster] B.V., uit [vestigingsplaats] , verzoekster</title>
    <para>(gemachtigden: mr. J.F. de Groot en R.R. Oudijk),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>het college van gedeputeerde staten van Utrecht, verweerder</title>
    <para>(gemachtigden: mr. E.H.P. Brans en mr. M. Peters).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De partijen worden hierna het bedrijf en het college genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding  <?linebreak?></title>
    <para>1. Bij besluit van 23 juni 2020 heeft het college zes aan het bedrijf verleende vergunningen ingetrokken en twee aanvragen om een omgevingsvergunning geweigerd. In de uitspraken van 1 december 2020 en 26 maart 2021 heeft de rechtbank het door het bedrijf tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.<footnote-ref linkend="_88dab0b9-7342-4bb2-976b-19a9c5fe6e44" /> In de uitspraak van 16 februari 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) het door het bedrijf ingestelder hoger beroep ongegrond verklaard.<footnote-ref linkend="_f19ce147-abee-4234-ae00-fb9931531943" /> Concreet betekent dit dat het bedrijf niet (meer) beschikt over vergunningen voor het uitvoeren van activiteiten die zien op de productie van biogas. </para>
    <para />
    <para>2. Nadat toezichthouders van het college hebben geconstateerd dat het bedrijf deze activiteiten niet heeft stopgezet, heeft het college bij besluit van 7 april 2022 het bedrijf gelast om de overtreding van artikel 2.1 eerste lid, aanhef onder e, sub 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht te staken en gestaakt te houden. Het bedrijf moet de volgende maatregelen nemen:</para>
    <para>- de ontvangst van materiaal dat aan het bedrijf van buiten de inrichting wordt geleverd of dat het bedrijf zelf aanvoert en dat bedoeld is als grondstof voor de biovergistingsinstallatie uiterlijk binnen 14 dagen na dagtekening van het besluit staken en gestaakt houden (=eerste last);</para>
    <para>- de biovergistingsinstallatie alsook de biogasinstallatie uiterlijk binnen 30 dagen na dagtekening van het besluit stilleggen en stilgelegd houden (tweede last).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als het bedrijf niet of niet tijdig aan de eerste last voldoet, verbeurt het bedrijf een dwangsom van € 25.000,- per kalenderdag met een maximum van € 500.000. Voor het niet of niet tijdig voldoen aan de tweede last verbeurt het bedrijf een dwangsom van € 70.000,- per kalenderdag met een maximum van € 700.000,-. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Het bedrijf heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    <para />
    <para>4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 april 2022 op zitting behandeld. Namens het bedrijf waren beide gemachtigden aanwezig en [A] , [B] en mr. [C] . Namens het college waren eveneens beide gemachtigden aanwezig en </para>
    <para>
      [D] en [E] . </para>
    <para />
    <para>5. Na afloop van de behandeling van de zaak op zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <para>- schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 7 april 2022 uitsluitend voor </para>
    <para>   zover het de hierin gestelde begunstigingstermijn voor de eerste last betreft;</para>
    <para>- treft de voorlopige voorziening dat de begunstigingstermijn van de eerste last wordt </para>
    <parablock>
      <para>   verlengd tot en met 26 april 2022 en wijst het verzoek om voorlopige voorziening in </para>
      <para>   zoverre toe;</para>
    </parablock>
    <para>- wijst het verzoek om voorlopige voorziening voor het overige af.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>6. In deze zaak beoordeelt de voorzieningenrechter of het nodig is om het besluit te schorsen totdat het college een beslissing op het bezwaar van het bedrijf heeft genomen. De voorzieningenrechter kijkt daarvoor naar de kans van slagen van het bezwaarschrift en daarmee dus naar de vraag of het besluit rechtmatig is of niet.</para>
    <para />
    <para>7. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overtreding. Vervolgens komt de vraag aan bod of het college - ondanks zijn bevoegdheid om handhavend op te treden tegen de geconstateerde overtreding - tóch van handhavend optreden had moeten afzien. Dat kan als concreet zicht op legalisatie bestaat of als handhavend optreden onevenredig is.</para>
    <para />
    <para>8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Tijdens de zitting heeft het bedrijf verklaard dat een nieuwe aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend. Op dit moment zijn er echter te weinig aanknopingspunten voor het oordeel dat het college bereid is deze vergunning te verlenen. Ook is het de vraag of de aanvraag de Bibob-toets zou doorstaan. Dat betekent dat er teveel onzekere factoren zijn en daar komt nog bij dat het verlenen én het overdragen van een vergunning, zoals het bedrijf wil, niet op korte termijn kan worden gerealiseerd.      </para>
    <para />
    <para>9. De voorzieningenrechter vindt het handhavend optreden ook niet onevenredig. Het college heeft gewezen op het belang van het op een veilige en legale wijze produceren van biogas. Daarvoor is belangrijk dat de bedrijfsvoering van het bedrijf wordt gedaan door personen die niet betrokken zijn (geweest) in de Bibob-procedure. Het bedrijf vindt deze handhaving onevenredig omdat dat zal leiden tot het faillissement van het bedrijf en tot ontslagen en dat terwijl de illegale situatie op korte termijn kan worden opgelost door nieuwe eigenaar. Voor de voorzieningenrechter staat onvoldoende vast dat op afzienbare termijn sprake zal zijn van een concrete verkoop van de biotak van het bedrijf. Dat betekent dus dat in de tussentijd sprake is van een IPPC-installatie die zonder vergunning draait en die voor het college via de bestuursrechtelijke weg niet controleerbaar is. Dat is een onwenselijke situatie. Verder speelt een rol dat het bedrijf reeds een lange termijn heeft gekregen om te herstructureren. Dat het bedrijf met het nemen van echt concrete stappen in dat proces heeft gewacht tot de uitspraak van de ABRvS komt voor risico van het bedrijf. </para>
    <para />
    <para>10. De voorzieningenrechter vindt de begunstigingstermijn van twee weken voor het niet langer accepteren van grondstoffen voor de biogasproductie op zichzelf redelijk, ook omdat het bij het bedrijf al langer bekend was dat het hierop zou kunnen uitlopen. Om het bedrijf de kans te geven om bijvoorbeeld leveranciers en afnemers op een fatsoenlijke wijze te informeren, verlengt de voorzieningenrechter ambtshalve de termijn tot en met 26 april 2022.  </para>
    <para />
    <para>11. De voorzieningenrechter heeft op dit moment geen reden om ernstig aan de rechtmatigheid van het besluit te twijfelen. Onder die omstandigheden is er weinig ruimte voor de belangen van verzoekster. De voorzieningenrechter ziet uiteraard de belangen van het bedrijf maar het belang van het college bij een legale situatie en de zekerheid dat de bedrijfsactiviteiten op een ordentelijke manier verlopen, weegt zwaarder. </para>
    <para />
    <para>12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2022 door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">de griffier is verhinderd deze </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">uitspraak te ondertekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</title>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_88dab0b9-7342-4bb2-976b-19a9c5fe6e44" label="1">
    <para> ECLI:NL:RBMNE:2020:5221 en ECLI:NL:RBMNE:2021:1168.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f19ce147-abee-4234-ae00-fb9931531943" label="2">
    <para> ECLI:NL:RVS:2022:511.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>