<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:1572</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-11T13:26:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 21 _ 2592</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:1572">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:1572</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-11T10:03:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:1572 Rechtbank Midden-Nederland , 20-04-2022 / AWB - 21 _ 2592</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:1572:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>ZW. Verweerder heeft onterecht het bezwaar inhoudelijk behandeld. De rechtbank voorziet zelf in de zaak dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard. Beroep gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:1572:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 21/2592</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. D.E. de Hoop),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: L.A.P. ter Laak).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 10 februari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de hoogte van de Ziektewetuitkering van eiseres per 1 februari 2021 verlaagd van 100% naar 70% van het dagloon. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 6 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2022 via een online verbinding. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres had voor haar arbeidsongeschiktheid meerdere banen. Tot en met december 2019 was zij 20 uur per week werkzaam bij het [bedrijf 1] . Bij de [bedrijf 2] werkte zij 8 uur in de week van 1 maart 2018 tot 28 februari 2021. Daarnaast was zij vanaf 18 juni 2019 16 uur aan per week aan het werk bij [bedrijf 3] . Per 1 januari 2020 is dit laatste dienstverband uitgebreid naar 32 uur per week en vervolgens per 1 februari 2021 beëindigd. Nadat eiseres zich op 20 februari 2020 heeft ziekgemeld, is haar een uitkering vanuit de Ziektewet (Zw) toegekend. Verweerder heeft de hoogte van deze uitkering verlaagd per 1 februari 2021. Eiseres is het niet eens met deze verlaging en heeft bezwaar gemaakt. Het bezwaar is met het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het geschilpunt?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiseres voert aan dat het vastgestelde dagloon niet representatief is voor het inkomen dat zij verdiende toen zij ziek werd. Eiseres heeft vanaf 1 januari 2020 een uitbreiding van haar uren gekregen bij [bedrijf 3] , omdat haar werkzaamheden bij het [bedrijf 1] stopten. Deze uitbreiding  moet volgens eiseres gezien worden als een nieuwe dienstbetrekking of een opvolgend dienstverband en meegeteld worden bij de berekening van de hoogte van het dagloon. Tijdens de zitting heeft eiseres bevestigd dat het geschil alleen gaat over de vaststelling van het maximale dagloon op basis van de uitbreiding van uren bij [bedrijf 3] . </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beoordeling door de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De eerste vraag die de rechtbank ambtshalve moet beantwoorden is of eiseres bezwaar kon maken tegen de hoogte van het dagloon. Verweerder heeft namelijk al in een eerder besluit van 9 maart 2020 de hoogte van het dagloon vastgesteld. Eiseres heeft geen bezwaar ingediend tegen dit laatste besluit, waardoor het in rechte vast staat. Het primaire besluit heeft alleen rechtsgevolgen voor het percentage van het dagloon dat wordt uitgekeerd per 1 februari 2021. Het besluit heeft geen rechtsgevolg voor het al eerder vastgestelde dagloon. Dit is ongewijzigd. Eiseres kon daarom geen bezwaar meer maken tegen de hoogte van het dagloon.</para>
    <para />
    <para>4. Tijdens de zitting is bovenstaande voorgelegd aan eiseres. Eiseres heeft aangevoerd dat het bezwaar gezien moet worden als een herzieningsverzoek in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht. Zij beroept zich op rechtspraak over duuraanspraken. Een herziening kan volgens haar gevraagd worden, omdat het over een langlopende uitkering gaat. Verweerder had volgens eiseres de plicht om bij het bezwaarschrift door te vragen naar de strekking van haar brief.</para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank kan eiseres niet volgen in dit standpunt. Het bezwaarschrift bevat naar het oordeel van de rechtbank geen aanwijzingen dat er sprake is van een herzieningsverzoek. Bovendien is het onwerkbaar voor verweerder om bij alle bezwaarschriften een mogelijk andere strekking te gaan onderzoeken, wanneer hier geen aanleiding voor is gelet op de tekst van het bezwaarschrift. Alles overziende concludeert de rechtbank dat verweerder bij het bestreden besluit ten onrechte inhoudelijk is ingegaan op het bezwaarschrift.  </para>
    <para />
    <para>6. Om deze reden wordt het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren. Voor vergoeding van de proceskosten in bezwaar en toekenning van een schadevergoeding is geen aanleiding. Het primaire besluit is ongewijzigd.</para>
    <para />
    <para>7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 49,- vergoedt.</para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank veroordeelt verweerder ook in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para>- voorziet zelf in de zaak door het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren</para>
    <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiseres te vergoeden;</para>
    <para>- veroordeelt de verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van</para>
    <para> € 1.518,-.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. R. in 't Veld, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. drs. N.L.K.J. Li, griffier. De beslissing is uitgesproken op 20 april 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						<emphasis role="italic">de rechter is verhinderd te </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">						ondertekenen </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>