<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:1545</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-22T13:44:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16.202758.21 (ontneming)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Lelystad</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:1545">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:1545</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-22T10:53:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:1545 Rechtbank Midden-Nederland , 22-04-2022 / 16.202758.21 (ontneming)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:1545:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit drugshandel. Bij het bepalen van de duur van de gijzeling laat de rechtbank de periode waarin hij als minderjarige in drugs handelde en daarmee geld verdiende, buiten beschouwing.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:1545:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Strafrecht</para>
      <para>Zittingsplaats Lelystad</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 16.202758.21 (ontneming)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [veroordeelde]
        </emphasis>
        <emphasis role="bold caps">  ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [2002] te [geboorteplaats] ,</para>
      <para>wonende aan de [adres] , [woonplaats] ,<?linebreak?>hierna te noemen: veroordeelde.</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>ONDERZOEK TER TERECHTZITTING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 8 april 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie, mr. D.M.A. van der Zwan en van hetgeen veroordeelde en zijn raadsman, mr. S.J. Nijhof, advocaat te Apeldoorn naar voren hebben gebracht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De procedure blijkt onder meer uit het volgende:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de schriftelijke vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr);</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de stukken behorende tot het dossier in de strafzaak met parketnummer 16.202758.21, waaronder het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel uit drugshandel’ van 29 november 2021, opgemaakt door [verbalisant] , hoofdagent van politie eenheid Midden-Nederland (hierna: het ontnemingsrapport);</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het vonnis van deze rechtbank van 22 april 2022 in de onderliggende strafzaak </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>met parketnummer 16.202758.21;</para>
    <para>- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>VORDERING</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat, en aan veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dit voordeel, welk voordeel door de officier – conform het ontnemingsrapport – wordt geschat op een bedrag van </para>
        <para>€ 35.743,10.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging	</emphasis>
        </para>
        <para>De verdediging heeft aangevoerd dat de berekening in het ontnemingsrapport moet worden bijgesteld. Om redenen van waarschijnlijkheid/aannemelijkheid dient een correctie plaats te vinden op het totaal aantal overdrachten, waarbij een percentage van 30% veroordeelde niet onredelijk voorkomt. </para>
        <para>Verder is het, gelet op de in het ontnemingsrapport genoemde verkochte hoeveelheden, zeer aannemelijk dat de cocaïne in kleinere hoeveelheden dan een kilo is ingekocht. In dat geval stijgt de prijs per gram. Sinds jaar en dag wordt aangenomen, ook in de rechtspraak, dat de inkoopprijs in soortgelijke zaken per gram gemiddeld een bedrag van € 35,- tot 38,- behelst. </para>
        <para>Niet een hoofdelijke veroordeling, maar een pondpondsgewijze toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ligt bovendien voor de hand.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>BEOORDELING VAN DE VORDERING</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De grondslag van de vordering</emphasis>
        </para>
        <para>De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor – kort gezegd – de handel in soft- en harddrugs, gekwalificeerd als: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, </para>
        <para>en</para>
        <para>medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>en gepleegd in de periode van 21 augustus 2017 tot en met 29 juli 2021.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit de strafbare feiten die de veroordeelde heeft begaan. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
        </para>
        <para>Voor de berekening van de opbrengsten en kosten neemt de rechtbank – voor zover niet anders wordt vermeld – tot uitgangspunt wat is opgenomen in het ontnemingsrapport. Ook wordt hierna verwezen naar bewijsmiddelen<footnote-ref linkend="_670cbe66-ae01-4d8e-b25d-82e98585124d" /> behorende tot het dossier in de strafzaak met parketnummer 16.202758.21.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het ontnemingsrapport is een handelsperiode gehanteerd van 21 augustus 2017 tot en met 29 juli 2021. Dit betreft ook de bewezenverklaarde periode in het vonnis in de strafzaak met parketnummer 16.202758.21.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Aantal overdrachtsmomenten:</emphasis>
        </para>
        <para>Aan de hand van tapgesprekken is in het ontnemingsrapport een handelsfrequentie bepaald en is eerst een berekening gemaakt van het aantal overdrachtsmomenten. Ten behoeve van de berekening in het ontnemingsrapport is ervoor gekozen om alle, contextueel aan individuele drugs overdrachtsmomenten te relateren chatgesprekken, per contactpersoon, te </para>
        <para>tellen. De getelde aantallen overdrachtsmomenten, afkomstig uit de chatgesprekken, zijn indicatief (niet absoluut). Er kan niet worden bepaald of elk individueel overdrachtsmoment ook daadwerkelijk heeft geleid tot een overdacht van drugs. Zo ook kan niet worden bepaald of er, anders dan in de chatgesprekken werd vermeld, uiteindelijk wijzigingen zijn geweest in  bijvoorbeeld de afnamehoeveelheid en het bedrag, zo vermeld het ontnemingsrapport. In het ontnemingsrapport wordt vervolgens uitgegaan van 1590 overdrachtsmomenten die zien op harddrugs en 86 overdrachtsmomenten die zien op softdrugs. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank kan de redenering van de verdediging dat deze berekening arbitrair voorkomt, volgen. De verdediging heeft bovendien een alternatieve berekening voorgesteld waar veroordeelde zich mee zou kunnen verenigen. Ook die beredenering, namelijk een vermindering van het aantal overdrachtsmomenten met 30 procent, kan de rechtbank volgen en zal de rechtbank doorvoeren in haar berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit betekent in de eerste plaats, voor het aantal overdrachtsmomenten:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>Harddrugs: 1.113 overdrachtsmomenten (70% van 1.590);</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Softdrugs: 60 overdrachtsmomenten (afgerond naar beneden) (70% van 86).</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Verkoopprijs</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank zal de in het ontnemingsrapport gehanteerde verkoopprijzen, die niet door / namens veroordeelde zijn betwist, overnemen: € 50,- per overdrachtsmoment dat ziet op harddrugs en € 10,- per overdrachtsmoment dat ziet op softdrugs.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Kosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Kosten harddrugs</emphasis>
        </para>
        <para>In het ontnemingsrapport is ten aanzien van de kosten voor harddrugs uitgegaan van de groothandelprijs van cocaïne. Dit komt neer op een bedrag van € 27,85 per gram / overdrachtsmoment. De verdediging heeft aangevoerd dat uit het dossier volgt, en dat het aannemelijk is, dat er in kleine(re) hoeveelheden is ingekocht en dat de inkoopprijs per gram hoger is geweest dan de (veel) voordeligere groothandelprijs. Die beredenering komt de rechtbank ook aannemelijk voor. De rechtbank zal als aannemelijk te achten inkoopprijs per gram een bedrag van € 36,- hanteren, hetgeen ook past binnen de door de verdediging aangevoerde prijzen per gram cocaïne. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Kosten softdrugs:</emphasis>
        </para>
        <para>De bij de berekening in het ontnemingsrapport gehanteerde kosten voor softdrugs zijn niet door veroordeelde betwist en komen de rechtbank redelijk voor. De rechtbank zal dan ook, net als in het ontnemingsrapport, uitgaan van een kostprijs van € 3,90 per gram / overdrachtsmoment.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Berekening van het voordeel:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Harddrugs:</emphasis>
        </para>
        <para>Bruto opbrengst: 1.113 x € 50,- =		€ 55.650,00</para>
        <para>Kosten: 1.113 x € 36,- =			<emphasis role="underline">€ 40.068,00 – </emphasis></para>
        <para>Netto opbrengst: 				€ 15.582,00</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Softdrugs:</emphasis>
        </para>
        <para>Bruto opbrengst: 60 x € 10,- =			€     600,00</para>
        <para>Kosten: 60 x € 3,90 -				<emphasis role="underline">€     234,00 – </emphasis></para>
        <para>Netto opbrengst:				€     366,00</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Totaal:	</emphasis>					€ 15.948,00</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Overige kosten</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsman heeft betoogd dat een pondspondsgewijze toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel passend is. De rechtbank zal in elk geval geen hoofdelijke betalingsverplichting opleggen. De rechtbank zal het wederrechtelijk verkregen voordeel schatten en vaststellen op een bedrag dat veroordeelde zelf uit de drugshandel heeft genoten. Uit het dossier volgt dat hij in enige mate met anderen samenwerkte.<footnote-ref linkend="_c2b291d8-60ab-435d-b5ca-ad6ce391b9e5" /> Uit het dossier, waaronder de tapgesprekken tussen " [A] " en veroordeelde<footnote-ref linkend="_b242378b-37d0-4060-be46-619dfb70c226" />, volgt dat veroordeelde een coördinerende / aansturende rol had. Enkele afnemers van veroordeelde zijn gehoord. De als verdachte gehoorde [B] heeft onder meer verklaard dat veroordeelde de algemeen bekende coke dealer was en dat hij de cocaïne zelf bracht.<footnote-ref linkend="_b8f77d0f-303b-4154-95c4-4ee8b0478476" /> Ook de als verdachte gehoorde [C] heeft verklaard dat rond ging dat veroordeelde in Zeewolde drugs verkocht<footnote-ref linkend="_4959a8ee-4fed-41c2-b15d-6ca9f9bb46b8" /> en dat hij zo bij veroordeelde was uitgekomen om zijn drugs bij hem te kopen. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat veroordeelde een redelijk autonome dealer was in Zeewolde, waarbij hij ook anderen had ingeschakeld die hij geringe bedragen zal hebben betaald. De rechtbank schat die extra kosten die hij voor ‘personeel’ betaalde op 10% van de hiervoor berekenende nettowinst. Veroordeelde heeft zelf geen aanknopingspunten gegeven om tot een andere berekening van deze kostenpost te komen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
        </para>
        <para>Het voorgaande betekent dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat veroordeelde heeft genoten, door de rechtbank wordt geschat – en vastgesteld – op een bedrag van € 14.353,20 (€ 15.948,00 minus 10%).</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Betalingsverplichting</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt het bedrag dat door veroordeelde dient te worden betaald aan de staat, eveneens vast op € 14.353,20.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Gijzeling:</emphasis>
        </para>
        <para>Bij het bepalen van de duur van de gijzeling laat de rechtbank de periode waarin hij als minderjarige in drugs handelde, buiten beschouwing. Dit betekent een periode van, afgerond, 3 jaar die buiten beschouwing gelaten wordt. De rechtbank zal er daarbij vanuit gaan dat veroordeelde een vierde deel van € 14.353,20 (te weten: € 3.588,30) heeft verdiend toen hij meerderjarig was. De rechtbank komt dan (afgerond, en berekend naar de maatstaf van één dag per volle € 50,-) op een aantal dagen gijzeling van 70 dagen die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>TOEGEPAST WETSARTIKEL</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 14.353,20;</para>
    <para />
    <para>- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € € 14.353,20 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;</para>
    <para />
    <para>- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 70 dagen.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. mr. R.P.P. Hoekstra, voorzitter, mrs. N. van Esch en </para>
      <para>M. Weistra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. mr. D.J. Laanstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 april 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mrs. Laanstra, Van Esch en Weistra zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_670cbe66-ae01-4d8e-b25d-82e98585124d" label="1">
    <para> Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 10 december 2021, genummerd 2021240504, opgemaakt door politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 943. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.</para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_c2b291d8-60ab-435d-b5ca-ad6ce391b9e5" label="2">
    <para> Pagina 666.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b242378b-37d0-4060-be46-619dfb70c226" label="3">
    <para> Pagina’s 687 en 688.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b8f77d0f-303b-4154-95c4-4ee8b0478476" label="4">
    <para> Pagina 726.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4959a8ee-4fed-41c2-b15d-6ca9f9bb46b8" label="5">
    <para> Pagina 717.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>