<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:1461</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-10T11:26:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/2566</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:1461">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:1461</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-10T11:25:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:1461 Rechtbank Midden-Nederland , 17-03-2022 / 21/2566</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:1461:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Parkeerbelastingzaak. Dwangsomvergoeding te laag vastgesteld, beroep gegrond, PKV, wegingsfactor 0,25, evidente tel- en rekenfout.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:1461:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 21/2566 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold"> [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: N.G.A. Voorbach),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente Almere, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: T. Klinkhamer).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft aan eiser op 30 november 2020 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van in totaal € 66,40 (€ 1,90 kosten parkeerbelasting en € 65,50 naheffingskosten).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de uitspraak op bezwaar van 7 mei 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2022 op een online zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Verweerder heeft aan eiser op 30 november 2020 een naheffingsaanslag parkeerbelasting (de naheffingsaanslag) opgelegd. Eiser heeft hiertegen op 21 december 2020 bezwaar gemaakt. Eiser heeft verweerder per brief in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar en heeft verzocht om een dwangsom. Verweerder heeft deze ingebrekestelling op 18 maart 2021 ontvangen. Verweerder heeft het verzoek om een dwangsom toegewezen in de uitspraak op bezwaar van 7 mei 2021. Daarbij is de dwangsom vastgesteld op € 1.127,-, berekend naar een termijnoverschrijding van 35 dagen.</para>
    <para />
    <para>2. Eiser voert aan dat verweerder de dwangsomvergoeding te laag heeft vastgesteld, omdat de termijn is overschreden met 36 dagen. Verweerder had de dwangsomvergoeding daarom moeten vaststellen tot een bedrag van € 1.172,-</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond slaagt. Verweerder heeft in zijn verweerschrift en op de zitting ook onderkend dat eiser hierin gelijk heeft. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat de dwangsomvergoeding van € 1.127,- is uitbetaald, maar de daarbovenop komende € 45,-,verhoogd met wettelijke rente, nog niet.</para>
    <para />
    <para>4. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover daarin aan eiser een dwangsomvergoeding van € 1.127,- is toegekend. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat eiser recht heeft op een dwangsomvergoeding van € 1.172,-.</para>
    <para />
    <para>5. Eiser heeft verzocht verweerder te veroordelen tot het betalen van de wettelijke rente over het restant van € 45,- van de verschuldigde dwangsom. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat verweerder in verzuim is met ingang van 7 mei 2021. De betaling had uiterlijk zes weken later, op 18 juni 2021 moeten plaatsvinden. Op de zitting heeft verweerder aangegeven dat hij zich kan vinden in het standpunt dat hij uiterlijk op 18 juni 2021, de (gehele) dwangsom aan eiser had moeten betalen. De rechtbank ziet in het bepaalde over de dwangsomvergoeding en dwangsombetaling in artikel 4:17, derde lid, en 4:87, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht geen aanleiding om daarvan af te wijken. Verweerder moet vanaf 18 juni 2021 tot en met de dag van gehele voldoening wettelijke rente over het restant van € 45,- aan eiser vergoeden.</para>
    <para />
    <para>6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.</para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank veroordeelt verweerder ook in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op  € 379,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,-). De rechtbank merkt de foutieve vaststelling van de dwangsomvergoeding aan als een evidente tel- en rekenfout en hanteert daarom een wegingsfactor 0,25<footnote-ref linkend="_0006a1d9-8c7f-4e2a-911d-e8d22a2f7fd7" />.</para>
    <para />
    <para>8. Eiser heeft verzocht om vergoeding van wettelijke rente indien niet tijdig de proceskosten en het griffierecht is voldaan. De rechtbank zal deze vordering toewijzen met ingang van vier weken na het verzenden van deze uitspraak.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt de bestreden uitspraak voor zover daarin aan eiser een dwangsomvergoeding van € 1.127,- is toegekend;</para>
    <para>- bepaalt dat eiser recht heeft op een dwangsomvergoeding van € 1.172,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;</para>
    <para>- draagt verweerder op over de te betalen dwangsom rente te vergoeden overeenkomstig hetgeen hierover in overweging 5 is beslist; </para>
    <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiser te vergoeden;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van</para>
    <para>€ 379,50;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de wettelijke rente over de aan eiser toegekende proceskosten en het griffierecht, te rekenen vanaf vier weken na verzending van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Fix, griffier. De beslissing is uitgesproken op 17 maart 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_0006a1d9-8c7f-4e2a-911d-e8d22a2f7fd7" label="1">
    <para> Vgl. de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 november 2021,:NL:GHARL:2021:10307, het gerechtshof Den Haag 11 november 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2131 en het Hof ’s-Hertogenbosch 11 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>