<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:1277</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-04T13:34:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-02-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/3701</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:1277">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:1277</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-04T13:30:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:1277 Rechtbank Midden-Nederland , 21-02-2022 / 21/3701</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:1277:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ambtenaren. Aanvraag functie senior afgewezen. Beleidsregel overgangsbeleid allround politiemedewerker. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:1277:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 21/3701</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [plaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. K. Kromhout),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de korpschef van politie, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. E. Wolthuis).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Inleiding en procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser is werkzaam bij de politie, eenheid Midden-Nederland. Per 1 augustus 2018 is hij via een herplaatsingsproces na ziekte geplaatst in de LFNP-functie van Generalist Tactische Opsporing bij de afdeling Veel Voorkomende Criminaliteit (VVC), [Team] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Binnen de politieorganisatie is afgesproken<footnote-ref linkend="_971d1471-284e-4e6f-b53e-04d3fd3904c6" /> dat voor medewerkers die vanaf 1 januari 2021 de basisopleiding tot Allround Politiemedewerker (mbo4) gaan volgen en die het diploma Allround Politiemedewerker (mbo4) hebben behaald, het loopbaantraject medewerker-generalist-senior geldt<footnote-ref linkend="_f13b3975-41d6-4801-a054-bebe0c843e32" />. Voor zittende medewerkers geldt er overgangsbeleid<footnote-ref linkend="_5f3ab8cb-584b-4693-bde8-b87439c522a9" />. Dit overgangsbeleid heeft ten doel om Generalisten die de basisopleiding tot Allround Politiemedewerker (mbo4) vóór 1 januari 2021 succesvol hebben afgerond de mogelijkheid te bieden om aangesteld te worden in een seniorfunctie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van dit overgangsbeleid heeft eiser op 21 april 2020 verzocht om in aanmerking te komen voor de functie van Senior Tactische Opsporing. Bij besluit van 22 februari 2021 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 19 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2021 via een beeldverbinding. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [A] en </para>
      <para>
        [B] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder de gelegenheid te geven het bestreden besluit schriftelijk aanvullend te motiveren. Verweerder heeft op </para>
      <para>14 januari 2022 een aanvullende motivering ingediend. Eiser heeft hierop op 25 januari 2022 schriftelijk gereageerd. Nadat partijen hiervoor toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek op 14 februari 2022 gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Standpunten van partijen</title>
    <para />
    <para>1. In onderdeel 6 van het overgangsbeleid is bepaald (voor zover hier relevant) dat de aanspraak op de werking van het overgangsbeleid vervalt als daarvoor een bijzondere individuele reden is. Zo’n reden kan bijvoorbeeld gelegen zijn in langdurige ziekte. In een dergelijke situatie levert verweerder individueel maatwerk.  </para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen met toepassing van onderdeel 6 van het overgangsbeleid. Verweerder heeft daartoe aangevoerd dat eiser, als gevolg van zijn duurzame beperkingen, in beginsel niet in staat was om de functie van Generalist uit te oefenen. Zijn huidige functie is voor hem passend gemaakt. Verweerder heeft een wijziging in het takenpakket van eiser doorgevoerd en heeft hem een ontheffing verleend van het zogenoemde IBT-vereiste. Dit houdt in dat eiser geen taken en werkzaamheden meer hoeft uit te oefenen die geweldsmiddelen vereisen. Eén en ander heeft er volgens verweerder toe geleid dat eisers zijn functie van Generalist Tactische Opsporing niet in de volle breedte van taken uitoefent. Volgens verweerder kan eiser daarom ook niet alle werkzaamheden verrichten die horen bij de seniorfunctie. Aldus kan eiser niet worden bevorderd tot Senior Tactische Opsporing en komt hij niet in aanmerking voor het overgangsbeleid. Dit volgt niet uit de beleidsregel, maar het is het algemene uitgangspunt dat verweerder hanteert. </para>
    <para />
    <para>3. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte bepaald dat er ten aanzien van eiser een bijzondere individuele reden is die ertoe leidt dat zijn aanspraak op de werking van het overgangsbeleid vervalt. Hiertoe heeft hiertoe aangevoerd dat zijn werkzaamheden als Generalist met een IBT-ontheffing identiek zijn aan de werkzaamheden van collega-Generalisten op de afdeling VVC die geen IBT-ontheffing hebben. Verder is het mogelijk (te maken) om ook mét een IBT-ontheffing te functioneren in de seniorfunctie. Eiser heeft voorts aangevoerd dat hij enkel niet is bevorderd vanwege beperkingen die samenhangen met zijn ziekte, terwijl gezonde collega’s wel kunnen doorstromen. Volgens hem is dit strijdig met de WGBH/CZ<footnote-ref linkend="_afe712c8-811a-47b2-9093-134febf59608" />.</para>
    <para />
    <para>4. Ter zitting heeft de verweerder, náást de IBT-ontheffing, nog meer omstandigheden opgesomd ter onderbouwing van zijn standpunt dat eiser zijn functie van Generalist niet in de volle breedte van taken uitoefent. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit al afdoende was gemotiveerd. Gelet op hetgeen ter zitting is besproken, heeft verweerder het toch aangewezen gevonden om het bestreden besluit aanvullend te motiveren. </para>
    <para />
    <para>5. Met instemming van eiser heeft de rechtbank verweerder de mogelijkheid geboden om de motivering van het bestreden besluit aan te vullen. Van deze mogelijkheid heeft verweerder bij brief van 14 januari 2022 gebruik gemaakt. Verweerder heeft aangevoerd dat de beperkingen in de huidige functie van eiser onder andere betrekking hebben op het werktempo en op afgebakende en voorspelbare werkzaamheden. Zo mag eiser niet afgeleid worden door activiteiten van anderen en kan hij niet in onregelmatige diensten werken. Bij zijn herplaatsing heeft hij een vast rooster gekregen. Hij mag niet meer dan vijf dagen achter elkaar werken en moet dan minimaal twee dagen vrij zijn. Daarnaast mag hij maximaal zes uur per dag werken en in een vast verband van 08.00 uur tot 14.30 uur. Buiten deze tijden is hij niet beschikbaar en dus niet inzetbaar. Eiser kan daardoor geen gevolg geven aan een oproep om eerder in dienst te komen of om langer door te werken. Dit zijn wel omstandigheden die de werkzaamheden van een Senior Tactische Opsporing vergen. Hij kan ook niet kan worden ingepland in weekenden. Een weekend wordt immers gezien als ‘onregelmatig’. Ook is met het aangepaste rooster van eiser geen omschakeling in dienst mogelijk, bijvoorbeeld door hem één keer per vier weken in het weekend in te roosteren. In dat geval zouden zijn 30 contracturen per week namelijk niet meer te plannen zijn, als gevolg van de restrictie dat hij twee aaneengesloten dagen vrij moet zijn. Door deadlines en productiepieken is het volgens verweerder voor een Senior Tactische Opsporing ook niet mogelijk om het werk op de afdeling VVC aan te sturen en te coördineren binnen de vaste werktijden van eiser. </para>
    <para />
    <para>6. Eiser heeft hierop gereageerd bij brief van 25 januari 2022. Volgens hem leveren zijn beperkingen al geen beletsel op om de functie van Generalist naar behoren uit te oefenen en dat zal bij de functie van Senior niet anders zijn. Hij heeft betwist dat het voor de functie van Senior noodzakelijk is om onregelmatige diensten te draaien en om flexibel te zijn met zijn werktijden. Hij heeft er daarbij op gewezen dat één met name genoemde collega in de functie van Senior een IBT-ontheffing heeft. Voor deze en een andere met name genoemde collega geldt voorts dat zij, net als eiser, niet in fulltime verband diensten met vaste begin- en eindtijden draaien. Verder heeft eiser aangevoerd dat zijn nachtdienstontheffing is gebaseerd op zijn leeftijd en niet op zijn beperking door ziekte. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>7. De rechtbank betrekt de nadere inbreng, als vervat in 5. en 6., bij de beoordeling van deze zaak. Volgens verweerder is de bedoeling van het overgangsbeleid dat de medewerker die de functie van Generalist uitoefent en voldoende functioneert in de volle omvang van de functie, het vooruitzicht krijgt op de seniorfunctie en dat hij de seniorfunctie ook daadwerkelijk in volle omvang gaat uitoefenen. Verweerder heeft de huidige functie van eiser als Generalist voor hem passend gemaakt in verband met de duurzame beperkingen van eiser. Als gevolg hiervan zal eiser niet in staat zijn om de functie van Senior in de volle omvang uit te oefenen. </para>
    <para />
    <para>8. Gelet op wat in 7. is vervat, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor het overgangsbeleid, omdat ten aanzien van hem een bijzondere individuele reden aan de orde is. Het kan eiser niet baten dat er collega’s werkzaam zijn als Senior, die net als eiser ook een IBT-ontheffing, aangepaste werkzaamheden en/of beperkte werktijden hebben. De situaties van die collega’s is niet vergelijkbaar met die van eiser. De betreffende collega’s zijn namelijk niet bevorderd op grond van het overgangsbeleid. De aanpassingen in hun functies zijn doorgevoerd toen zij al Senior waren. </para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank ziet geen strijd met de WGBH/CZ. Er is namelijk sprake van een rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid.</para>
    <para />
    <para>10. Uit 7. tot en met 9. vloeit voort dat dat het beroep ongegrond is. </para>
    <para />
    <para>11. De rechtbank ziet geen aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem moet vergoeden. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Ook als de rechtbank een beroep ongegrond verklaart en het bestreden besluit in stand laat, kan zij besluiten dat het bestuursorgaan het griffierecht vergoedt en dat het wordt veroordeeld in de proceskosten van de andere partij<footnote-ref linkend="_512dccff-56a8-4082-80c9-d88c084fd27d" />. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep<footnote-ref linkend="_32b14dcc-f406-4775-afaf-88f63149babc" /> bestaat in geval van een ongegrond beroep aanleiding om het bestuursorgaan te veroordelen in de proceskosten die een andere partij heeft moeten maken, als die andere partij heeft moeten procederen om een deugdelijke motivering van het besluit te krijgen. Een dergelijke situatie is in de onderhavige zaak niet aan de orde geweest. Het bestreden besluit was naar het oordeel van de rechtbank namelijk al van een deugdelijke en begrijpelijke motivering voorzien. Slechts om wille van de volledigheid van de discussie, heeft verweerder ter zitting aanleiding gezien om die motivering met méér argumenten aan te vullen. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr. M. van Ettikhoven, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 21 februari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_971d1471-284e-4e6f-b53e-04d3fd3904c6" label="1">
    <para> Arbeidsvoorwaardenakkoord sector politie 2018-2020.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f13b3975-41d6-4801-a054-bebe0c843e32" label="2">
    <para> Overeenkomstig de Beleidsregel Loopbaanpad Basisopleiding tot Allround Politiemedewerker (mbo4), hierna: de beleidsregel.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5f3ab8cb-584b-4693-bde8-b87439c522a9" label="3">
    <para> Beleidsregel Overgangsbeleid Allround Politiemedewerker (mbo4), hierna: het overgangsbeleid.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_afe712c8-811a-47b2-9093-134febf59608" label="4">
    <para> Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_512dccff-56a8-4082-80c9-d88c084fd27d" label="5">
    <para> Dit volgt uit de artikelen 8:74, tweede lid, en artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_32b14dcc-f406-4775-afaf-88f63149babc" label="6">
    <para> Zie onder meer de uitspraak van 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3123.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>