<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:1191</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-02T12:08:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 21/4927</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:1191">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:1191</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-02T12:08:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:1191 Rechtbank Midden-Nederland , 16-03-2022 / UTR 21/4927</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:1191:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hierziening uitwonendenbeurs na controle op brp-adres. Mondelinge uitspraak, beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:1191:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 21/4927</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2022 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M. el Ahmadi),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: drs. P. Slagter).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In twee besluiten van 3 december 2020 (de primaire besluiten) heeft verweerder het recht van eiseres op studiefinanciering herzien, in die zin dat zij als thuiswonende studerende is aangemerkt voor de periode juni 2019 tot en met december 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 5 november 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.</para>
    <para />
    <para>2. Eiseres stond vanaf 28 mei 2019 ingeschreven in de basisregistratiepersonen (brp) op het adres [adres] te Almere, het woonadres van haar oom en tante. Verweerder heeft aan eiseres studiefinanciering toegekend in de vorm van een uitwonendenbeurs.</para>
    <para />
    <para>3. Op 23 oktober 2020 is in opdracht van verweerder onderzoek gedaan naar de woonsituatie van eiseres. Er is een huisbezoek afgelegd op het brp-adres om te controleren of eiseres op dat adres woonde. Eiseres was niet aanwezig. De hoofdbewoner van de woning op het brp-adres, de tante van eiseres, heeft de controleurs vrijwillig toestemming verleend om de woning te betreden. Eén van de controleurs heeft vervolgens de woning betreden, de andere controleur is buiten gebleven. Van het huisbezoek is een rapportage opgemaakt. Bij de rapportage zijn foto’s gevoegd. </para>
    <para />
    <para>4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de onderzoeksbevindingen niet blijkt dat eiseres op het brp-adres woont.</para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank overweegt dat herziening van de toegekende studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende student een voor eiseres belastend besluit betreft. Daarom rust de bewijslast met betrekking tot de stelling dat eiseres niet woonachtig is op het adres waar zij staat ingeschreven in eerste instantie op verweerder en niet op eiseres. Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiseres niet woont op het brp-adres, dan ligt het op de weg van eiseres om de juistheid daarvan gemotiveerd te betwisten aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek dat namens verweerder is verricht naar de feitelijk woon- en leefsituatie van eiseres zorgvuldig is geweest. Uit de schriftelijke weergave van de verklaring is af te leiden welke vragen aan de hoofdbewoner zijn gesteld en blijkt wat zij daarop heeft geantwoord. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van deze weergave van de verklaring te twijfelen. De rechtbank ziet verder geen reden om aan de juistheid van de bevindingen van de controleurs te twijfelen. Als eiseres daadwerkelijk 1,5 jaar op het brp-adres zou wonen, zoals zij stelt, valt redelijkerwijs te verwachten dat zich daar specifiek tot eiseres herleidbare zaken zouden bevinden, waaruit kan worden afgeleid dat zij daar daadwerkelijk woont. Van de hoofdbewoner mocht bovendien worden verwacht dat zij het onderscheid tussen de spullen van haarzelf, van haar dochters en van eiseres kon herkennen. Eiseres hoefde dan ook niet bij dat huisbezoek aanwezig te zijn.</para>
    <para />
    <para>7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op de bevindingen van de controleurs tijdens het huisbezoek zoals die zijn vermeld in het rapport van 23 oktober 2020 en de verklaring van de hoofdbewoner terecht geconcludeerd dat eiseres ten tijde van de controle niet woonde op het brp-adres. De controleurs hebben tijdens het onderzoek geen spullen van eiseres aangetroffen die duiden op een structureel verblijf. Er lag weliswaar wel wat kleding in een kast, maar er lag geen post, administratie of studieboeken of andere spullen die aantoonbaar van eiseres waren. Er was daarom geen aanleiding om een buurtonderzoek te verrichten of het ouderlijk huis van eiseres te bezoeken. </para>
    <para />
    <para>8. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para>10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2022 door mr. M.P. Glerum, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De griffier is verhinderd om		          De rechter is verhinderd om</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">de uitspraak te ondertekenen.		          de uitspraak te ondertekenen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>