<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2021:6969</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-01T14:07:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-11-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 21/554</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:6969">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:6969</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-01T14:06:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2021:6969 Rechtbank Midden-Nederland , 12-11-2021 / UTR 21/554</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2021:6969:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>beroep te laat; besluit bekendgemaakt via waterschapsblad; niet-ontvankelijk</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2021:6969:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND </bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 21/554 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2021 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats] , eiser,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. T.J. Roest Crollius).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, </emphasis>verweerder,</para>
      <para>(gemachtigde: mr. J.W. Schippers).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van <?linebreak?>1 december 2020. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. In deze zaak gaat het om de vraag of eiser op tijd was met het indienen van zijn beroepschrift. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat eiser niet op tijd was en dat de rechtbank zijn beroep daarom niet inhoudelijk kan behandelen. Eiser vindt juist dat hij wel op tijd is. Dat schrijft hij in brieven van <?linebreak?>6 april 2021 en 13 april 2021. </para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank zal beoordelen of eiser zijn beroepschrift inderdaad te laat heeft ingediend en of er redenen zijn waarom de rechtbank toch inhoudelijk naar de zaak kan kijken. De rechtbank zal daarvoor eerst vaststellen wat er in de procedure is gebeurd.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Procedure</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Op 25 augustus 2020 heeft verweerder het ontwerp-projectplan Verbetering waterhuishouding ‘IJsselveld over de Vaart’ vastgesteld. Dit ontwerp-projectplan is op <?linebreak?>7 september 2020 elektronisch ter inzage gelegd door publicatie in het elektronische Waterschapsblad van verweerder (het Waterschapsblad). Eiser heeft tegen het ontwerp-projectplan een zienswijze ingediend. Op 1 december 2020 heeft verweerder het projectplan Verbetering waterhuishouding ‘IJsselveld over de Vaart’ (het projectplan) vastgesteld. Dit besluit is op 10 december 2020 elektronisch gepubliceerd in het Waterschapsblad. Op <?linebreak?>21 december 2020 heeft verweerder een brief aan eiser gestuurd waarin – kort gezegd –  staat dat eisers zienswijze is behandeld, dat verweerder het projectplan heeft vastgesteld (met een link naar het digitale projectplan) en dat binnen zes weken na vaststelling van het projectplan beroep kan worden ingesteld. Eiser heeft met een e-mail van 1 februari 2021 beroep ingesteld tegen het projectplan. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beroepschrift te laat?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Een beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken nadat het besluit bekend is gemaakt. Dat staat in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Eiser zegt dat de beroepstermijn op 21 december 2020 is gaan lopen, toen verweerder hem de brief stuurde waarin staat dat het projectplan is vastgesteld. De rechtbank is het daar niet mee eens. Die brief is de mededeling van het besluit zoals bedoeld in artikel 3:44, van de Awb. Op grond van dat artikel moet een bestuursorgaan iedereen die een zienswijze heeft ingebracht tegen een ontwerpbesluit op de hoogte stellen van het definitieve besluit. Dat is niet hetzelfde als de bekendmaking. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Een projectplan is een besluit van een bestuursorgaan dat niet tot de centrale overheid behoort en dat niet tot een of meer belanghebbenden is gericht. Zo’n besluit moet worden bekendgemaakt door kennisgeving van dat besluit in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws – of huis-aan-huisblad, of op een andere geschikte wijze. Dat staat in artikel 3:42, tweede lid, van de Awb. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>In dit geval is het besluit op 10 december 2020 digitaal gepubliceerd in het Waterschapsblad. Dit is de juiste manier van bekendmaken. In artikel 3:42, tweede lid, van de Awb staat namelijk dat elektronische bekendmaking mag, als het gebeurt in een van overheidswege uitgegeven blad (zoals het Waterschapsblad). Dat betekent dat eiser zijn beroepschrift had moeten indienen binnen zes weken na 10 december 2020. Dat heeft eiser niet gedaan. Zijn beroepschrift is dus te laat. De hoofdregel is dan dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Geldige reden?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>5. Op de hoofdregel kan een uitzondering worden gemaakt als er een geldige reden is waarom het beroepschrift te laat is ingediend. Dat staat in artikel 6:11 van de Awb. Het moet dan wel gaan om omstandigheden waar eiser niets aan kan doen. In uitspraken wordt er dan vaak gesproken over “verschoonbare termijnoverschrijding”.</para>
      <para />
      <para>6. Eiser zegt dat hij voorafgaand aan de vaststelling van het projectplan veel contact had met verweerder en dat het daarom mocht worden verwacht dat verweerder hem eerder dan 21 december 2020 op de hoogte zou hebben gesteld van het besluit en de beroepstermijn van zes weken.  </para>
      <para />
      <para>7. De rechtbank vindt dit geen geldige reden. Het staat vast dat eiser na toezending van de mededeling van 21 december 2020 op de hoogte was van het besluit om het projectplan vast te stellen. De rechtbank ziet niet in waarom het voor eiser niet mogelijk was om na toezending van de mededeling van 21 december 2020 alsnog binnen de beroepstermijn beroep in te stellen. De mededeling is 11 dagen na bekendmaking van het besluit gedaan, en heeft dus tot een verkorting van de beroepstermijn voor eiser met ongeveer anderhalve week geleid. Eiser had de resterende beroepstermijn kunnen gebruiken om beroep in te stellen, desnoods op nader aan te voeren gronden (pro forma beroep), maar dat heeft hij niet gedaan. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>8. Eiser heeft het beroepschrift te laat ingediend en had daar geen geldige reden voor. </para>
      <para>Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54, eerste lid, van de Awb). De rechtbank zal het beroep dus niet inhoudelijk behandelen. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is uitgesproken op 12 november 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">de griffier is verhinderd de uitspraak</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">te ondertekenen	 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier							rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>