<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2021:6638</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-25T09:05:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-11-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 21/2475</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:6638">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:6638</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-25T09:05:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2021:6638 Rechtbank Midden-Nederland , 29-11-2021 / UTR 21/2475</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2021:6638:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep ongegrond; beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet, geen concrete toezegging gedaan dat bepaald traject zou worden opgestart i.v.m. schulden eiser.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2021:6638:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 21/2475 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2021 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.R.A. Rutten),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde:  B. Arabaci).<?linebreak?></para>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 30 oktober 2020 (primair besluit) heeft verweerder medegedeeld dat eiser is toegelaten tot een traject schuldbemiddeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 20 april 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is de heer [A] verschenen als senior schuldhulpverlener werkzaam bij verweerder. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft zich op 16 oktober 2019 gemeld bij het Buurtteam vanwege zijn schulden bij de [naam bank] en het UWV. Het traject dat daarna is opgestart heeft geresulteerd in het primaire besluit van 30 oktober 2020, waarin verweerder eiser heeft toegelaten tot een traject schuldbemiddeling. Verweerder heeft het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard, omdat er goede redenen zijn waarom de schuldbemiddeling meer passend is gevonden voor eiser in plaats van het door eiser geprefereerde traject saneringskrediet. </para>
    <para />
    <para>2. Eiser is het niet eens met het besluit van verweerder. Hij brengt naar voren dat hem een traject van een saneringskrediet is toegezegd, wat volgens hem blijkt uit het emailbericht van [B] van 9 maart 2020. Zo’n traject is voor hem minder belastend en geeft hem bovendien meer ruimte om zijn gezin in Pakistan met drie minderjarige kinderen financieel te ondersteunen, aldus eiser. Eiser doet hiermee in feite een beroep op het vertrouwensbeginsel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Welke regels gelden er in deze zaak?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Volgens de Beleidsregels Schuldhulpverlening gemeente Utrecht bekijkt verweerder per individuele zaak welk traject voor schulddienstverlening het beste bij iemand past. Bij een traject van schuldbemiddeling bemiddelt verweerder tussen de persoon die zich gemeld heeft bij verweerder en zijn schuldeisers. Verweerder berekent hoeveel diegene kan aflossen per maand, en doet een betalingsvoorstel aan de schuldeisers. Bij een traject saneringskrediet wordt een krediet verstrekt door een Gemeentelijke Kredietbank, waarbij de schuldeisers een percentage van de schuld krijgen uitgekeerd en de schuldenaar het krediet in 36 maanden terugbetaalt aan de gemeentelijke kredietbank.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
        <?linebreak?>4.	Bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel is allereerst de vraag van belang of de uitlating van een ambtenaar kan worden gezien als een toezegging. Er is sprake van een toezegging als de uitlating van de betreffende ambtenaar bij een betrokkene redelijkerwijs de indruk wekt van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend.<footnote-ref linkend="_1424fa8e-4f6d-4b1c-84ea-dafdc0d68529" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van zo’n toezegging. In de e-mail waar eiser op wijst, staat: <emphasis role="italic">‘Het is de bedoeling dat u een schuldenoverzicht maakt die compleet is. De belastingschuld moet ook op die lijst en in de map bij de schulden. Hierna starten wij de bemiddeling saneringskrediet traject bij [naam bank] en UWV.</emphasis> In de e-mail worden dus beide trajecten in één zinsnede genoemd, namelijk het traject schuldbemiddeling en het traject saneringskrediet. De formulering is dan ook niet ondubbelzinnig, zodat eiser uit de e-mail redelijkerwijs niet kon afleiden dat een traject saneringskrediet zou worden opgestart. Eiser heeft ter zitting bevestigd dat hij geen andere stukken uit het dossier naar voren brengt ter onderbouwing van zijn beroep op het vertrouwensbeginsel. De conclusie is dat eisers beroep op dat beginsel niet slaagt.</para>
    <para />
    <para>6. Voor zover eiser aanvoert dat in het besluit onvoldoende gemotiveerd is waarom verweerder voor het traject schuldbemiddeling heeft gekozen, heeft hij niet gespecificeerd waarom de door verweerder gegeven motivering niet volstaat. Daarom slaagt dat betoog niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is de conclusie van de rechtbank?</emphasis>
        <?linebreak?>7.	Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van mr. M.P.M. Veerman-Timmer, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 29 november 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. </para>
  </section>
  <footnote id="_1424fa8e-4f6d-4b1c-84ea-dafdc0d68529" label="1">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, (ECLI:NL:RVS:2019:1694).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>