<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2021:6621</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-17T09:52:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-11-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 21 _ 1066</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:6621">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:6621</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-17T09:49:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2021:6621 Rechtbank Midden-Nederland , 12-11-2021 / AWB - 21 _ 1066</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2021:6621:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep. Weigering WIA-uitkering. Ogg</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2021:6621:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</title>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 21/1066</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2021 in de zaak tussen</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [eiseres], te [woonplaats], eiseres</title>
    <para>(gemachtigde: mr. E. Schermerhorn),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr S.N. Westmaas-Kanhai).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. Eiseres is werkzaam geweest als pedagogisch medewerkster voor 25,5 uur per week. Op</para>
    <para>5 februari 2018 heeft zij zich ziek gemeld wegens lichamelijke klachten. Eiseres heeft per einde wachttijd een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Na een medische en arbeidskundige beoordeling heeft het Uwv eiseres bij besluit van 3 juli 2020 per 3 februari 2020 een WIA-uitkering geweigerd omdat zij minder dan 35 % arbeidsongeschikt is. </para>
    <para />
    <para>2. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 28 januari 2021 (het bestreden</para>
    <para>besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering gehandhaafd. Het Uwv heeft zich daarbij gebaseerd op een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 december 2020 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 10 januari 2021.</para>
    <para />
    <para>3. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een</para>
    <para>verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2021 via Skype. Eiseres</para>
    <para>is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld van haar echtgenoot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het geschil</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.    Tussen partijen is in geschil of het Uwv terecht per 3 februari 2020 een WIA-uitkering aan eiseres heeft geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.</para>
      <para>Eiseres voert aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat zij met de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen fysiek spreekuurcontact heeft gehad en er dus ook geen lichamelijk onderzoek is verricht. Ook had er informatie van haar behandelaars moeten worden opgevraagd en bij beoordeling worden betrokken. Verder voert eiseres aan dat haar belastbaarheid niet juist is vastgesteld. Zij heeft zowel psychische - als fysieke (pijn)klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daar onvoldoende rekening mee gehouden. Zij is ernstig vermoeid door een slaaptekort en pijnklachten. Zij vindt dat er op energetische en preventieve gronden een urenbeperking moet worden aangenomen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beoordelingskader </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel aan drie voorwaarden voldoen. Die rapporten;</para>
    <para>- zijn op een zorgvuldige manier tot stand gekomen;</para>
    <para>- bevatten geen tegenstrijdigheden;</para>
    <para>- zijn voldoende begrijpelijk. </para>
    <parablock>
      <para>Het is aan de eiseres om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat rapporten niet aan de drie voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling niet klopt. </para>
      <para>Voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zorgvuldigheid van het medisch onderzoek</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Het onderzoek voldoet aan de eisen zoals die in de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)<footnote-ref linkend="_24770098-64ed-45a5-864c-86fd7a75e50f" />, zijn gesteld. De rechtbank licht dit als volgt toe.</para>
    <para>In de primaire fase heeft een geregistreerd verzekeringsarts uitgebreid spreekuurcontact gehad met eiseres. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd waarom er in de bezwaarfase geen fysiek spreekuurcontact is geweest en er geen reden was voor een lichamelijk onderzoek. In zijn rapport van 11 juni 2021 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat er in het dossier medische informatie van zowel vóór als ná de datum in geding aanwezig is en dat het diagnostisch beeld duidelijk was. Uit de medische informatie van de behandelend sector blijkt dat er ondanks uitgebreid onderzoek geen afwijkingen zijn geobjectiveerd die de klachten kunnen verklaren. Ook bij uitgebreid onderzoek door de reumatoloog in het kader van een second opinion zijn geen afwijkingen geobjectiveerd. De rechtbank kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen in zijn oordeel dat van een fysiek spreekuurcontact en een lichamelijk onderzoek kon worden afgezien. De beroepsgrond slaagt niet. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Medische beoordeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Het is de specifieke deskundigheid van verzekeringsartsen op basis van medisch objectiveerbare klachten (arbeids)beperkingen vast te stellen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 18 december 2020 toegelicht dat eiseres veel verschillende (pijn)klachten en vermoeidheid ervaart, dat een medisch substraat voor deze klachten niet is gevonden en dat deze klachten grotendeels zijn te duiden als fibromyalgie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn oordeel mede gebaseerd op de beschikbare medische informatie van de behandelend reumatoloog en de revalidatiearts. Voor de fibromyalgieklachten is eiseres beperkt geacht voor zware fysieke belasting. Vanwege het ontbreken van een medisch substraat ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden om meer beperkingen aan te nemen. De rechtbank kan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep goed volgen. Eiseres heeft geen medische informatie overgelegd die reden geeft voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Aan de manier waarop eiseres zelf haar klachten ervaart, hoe begrijpelijk ook, kan in de systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen doorslaggevende betekenis toekomen.</para>
    <para />
    <para>9. Over de urenbeperking heeft de verzekeringsarts in zijn rapport van 22 juni 2020 uiteengezet dat er op grond van de beschikbare medische gegevens conform de standaard duurbelasting geen reden is voor een urenbeperking. Er is immers geen sprake van een onderliggende ernstige somatische of psychiatrische aandoening die een sterk afgenomen energieniveau aannemelijk maakt, noch van de in de standaard genoemde behandel- of preventieve aspecten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen reden gezien af te wijken van de beperkingen die de verzekeringsarts heeft aangenomen. De rechtbank kan </para>
    <para>De rechtbank kan de motivering van de verzekeringsartsen volgen en neemt daarbij in overweging dat eiseres geen medische informatie heeft overgelegd op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat ten onrechte geen reden is gezien voor het aannemen van een urenbeperking op grond van de standaard Duurbelasting.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Arbeidskundige beoordeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Eiseres voert aan dat zij de geduide functies om medische redenen niet kan verrichten. Ze wijst er op dat in de functie keukenverkoper er meer dan acht uur per dag moet worden gewerkt.</para>
    <para />
    <para>11. Omdat de medische gronden niet slagen en de rechtbank de medische beoordeling als uitgangspunt neemt, volgt de rechtbank eiseres niet in haar standpunt dat de functie keukenverkoper niet geschikt is vanwege het feit dat daarin (niet dagelijks) meer dan acht uur moet worden gewerkt.</para>
    <para />
    <para>12. Ook overigens bestaat er geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van de geduide functies. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de primaire arbeidsdeskundige in het Resultaat Functiebeoordeling en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aanvullend in zijn rapport van 10 januari 2021, hebben gemotiveerd waarom de belastbaarheid van eiseres niet wordt overschreden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>13. Gelet op het voorgaande heeft het Uwv terecht bepaald dat eiseres met ingang van 3 februari 2020 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.</para>
    <para />
    <para>14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier. De beslissing is uitgesproken op 12 november 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
  </section>
  <footnote id="_24770098-64ed-45a5-864c-86fd7a75e50f" label="1">
    <para> Bijvoorbeeld de uitspraak van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1491</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>