<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2021:6552</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-26T15:53:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-11-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 21/3464</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:6552">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:6552</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-03T19:24:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2021:6552 Rechtbank Midden-Nederland , 22-11-2021 / UTR 21/3464</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2021:6552:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Voorschot kinderopvangtoeslag. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij meer kinderopvang heeft afgenomen dan de uren waarop het voorschot is gebaseerd. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2021:6552:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 21/3464 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 november 2021 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. B.C.F. Kramer),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: [gemachtigde] )<?linebreak?></para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 23 november 2020 (primair besluit) heeft verweerder het voorschot kinderopvangtoeslag voor het jaar 2020 herzien en vastgesteld op € 0,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 31 mei 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit deels gegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 22 november 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
      <para>Bij aanvang van de zitting bleek dat eiser en zijn gemachtigde niet zijn verschenen, zonder bericht van verhindering. Nadat de griffier tevergeefs heeft geprobeerd telefonisch contact te krijgen met de gemachtigde van eiser en nadat is vastgesteld dat er per post een uitnodiging en per e-mail een skypelink voor de zitting is verstuurd naar (het kantoor van) de gemachtigde, heeft de rechtbank de zitting voortgezet.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. Eiser heeft kinderopvangtoeslag aangevraagd voor zijn twee kinderen, [A] en [B] . Tussen eiser en de moeder van de kinderen is sprake van co-ouderschap.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Besluitvorming</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>2. Verweerder heeft het bezwaar deels gegrond verklaard, omdat in de bezwaarprocedure is gebleken dat de kinderen gemiddeld drie hele dagen per week in zowel het huishouden van eisers als in het huishouden van zijn ex-partner verblijven. Daarom is sprake van co-ouderschap en heeft eiser recht op kinderopvangtoeslag, ondanks dat de kinderen niet op het adres van eiser staan ingeschreven. Uit de bewijsstukken blijkt dat eiser kinderopvang heeft afgenomen in de periode van 1 januari 2020 tot en met 29 februari 2020. Voor die periode heeft verweerder daarom alsnog een bedrag van € 753,- aan kinderopvangtoeslag toegekend. Voor de periode van 1 maart 2020 tot en met 19 juli 2020 heeft eiser volgens verweerder geen recht op kinderopvangtoeslag, omdat niet is gebleken dat eiser in die periode kinderopvang heeft afgenomen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beroepsgronden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Eiser voert aan dat hij recht heeft op kinderopvangtoeslag voor het gehele jaar 2020. De kinderopvangtoeslag over de periode tot en met 19 juli 2020 is bovendien te laag vastgesteld. Het bestreden besluit is in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur. Eiser verzoekt om een schadevergoeding in de vorm van de wettelijke rente vanaf de vervaldag. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verweerschrift </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Op 24 maart 2021 is aan eiser verzocht om stukken op te sturen waaruit blijkt hoeveel uur kinderopvang hij in 2020 heeft afgenomen. Verweerder heeft ook bij de kinderopvangorganisatie de jaaropgaven opgevraagd. Uit de stukken die verweerder naar aanleiding hiervan heeft ontvangen, blijkt dat eiser in januari en februari 2020 kinderopvang heeft afgenomen. Eiser heeft niet aangegeven dat deze informatie niet correct zou zijn. Op basis van de bekende gegevens is het recht op kinderopvangtoeslag juist vastgesteld. Er is ook geen sprake van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit standpunt is bovendien onvoldoende gemotiveerd, aldus verweerder.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beoordeling rechtbank </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het recht op kinderopvangtoeslag juist heeft vastgesteld op basis van de gegevens in het dossier. Uit die gegevens blijkt namelijk dat alleen in januari en februari 2020 kinderopvang is afgenomen. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij meer kinderopvang heeft afgenomen dan de uren waarop verweerder het voorschot heeft gebaseerd. De enkele stelling dat eiser voor het hele jaar recht heeft op kinderopvangtoeslag en dat de kinderopvangtoeslag te laag is vastgesteld leidt niet tot een ander oordeel, nu iedere onderbouwing van die stelling ontbreekt. </para>
    <para />
    <para>6. Het beroep is ongegrond. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 22 november 2021 en zal openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>