<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2021:6229</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-29T12:02:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-12-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 21/3785</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:6229">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:6229</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-29T12:01:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2021:6229 Rechtbank Midden-Nederland , 10-12-2021 / UTR 21/3785</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2021:6229:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>te late aanvraag zorgtoeslag; Awir</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2021:6229:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 21/3785</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2021 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Belastingdienst/Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigden: mr. A.A. Wubbs en A.N.J. van Dongen).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 14 juli 2021 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor zorgtoeslag over de jaren 2015, 2016 en 2017 afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 2 september 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat deze te laat is ingediend. Eiser had de aanvraag zorgtoeslag over 2015 moeten aanvragen vóór 1 september 2016, de zorgtoeslag over 2016 voor 1 september 2017 en de aanvraag zorgtoeslag over 2017 voor 1 september 2018.<footnote-ref linkend="_263ec1b1-a67f-4a49-a2c1-23e6cb402280" /> Eiser heeft pas op 3 september 2020 een eerste aanvraag ingediend. Op 5 oktober 2018 en op 22 november 2018 heeft eiser een (incomplete) aanvraag voor zorgtoeslag gedaan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de wet hem geen mogelijkheid biedt om in dit geval in afwijking van de wet aan eiser zorgtoeslag voor 2015, 2016 en voor 2017 toe te kennen.</para>
    <para />
    <para>2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat hij van 2015 tot 2018 in Nederland heeft gewerkt voor interim [bedrijf] , en dat hij in die periode geen zorgtoeslag en vakantietoeslag heeft ontvangen. </para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn aanvragen voor zorgtoeslag over de berekeningsjaren 2016, 2017 en 2018 te laat heeft ingediend. Dat had hij namelijk vóór 1 september 2017 (voor 2016), 1 september 2018 (voor 2017) en 1 september 2019 (voor 2018) moeten doen. Eiser heeft niet betwist dat hij de aanvraag voor zorgtoeslag voor die jaren niet eerder dan op 27 september 2018 heeft ingediend. De toeslagen zijn hierdoor niet binnen de in artikel 15, eerste lid van de Awir, gestelde termijn ingediend. De termijn voor het indienen van een aanvraag om zorgtoeslag is een dwingende termijn volgens de wet. Dit betekent dat er geen mogelijkheid is om na de uiterste datum alsnog een aanvraag te doen. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat de wet geen mogelijkheid of bepaling kent op basis waarvan verweerder tegemoet kan komen aan eisers verzoek. De inkomensafhankelijke regelingen zijn bedoeld als tegemoetkoming in de actuele kosten. Evenmin kan op grond van de rechtspraak van de hoogste bestuursrechter worden afgeweken van deze dwingend voorgeschreven uiterste aanvraagtermijnen.<footnote-ref linkend="_17db8968-c060-4e57-9518-16ce5debb6d6" /> Hoe zuur het ook is voor eiser dat hij niet eerder op de hoogte was van de mogelijkheid om zorgtoeslag aan te vragen, dit kan niet leiden tot een andere conclusie.</para>
    <para />
    <para>5. Dat eiser heeft gewerkt, is voor de aanvraag voor de zorgtoeslag niet meer van  belang. Nu vast staat dat eiser de zorgtoeslag over de jaren 2015, 2016 en 2017 niet tijdig heeft ingediend, is de beantwoording van de vraag of een tijdige aanvraag succesvol zou zijn geweest, niet relevant voor deze beoordeling.</para>
    <para />
    <para>6. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is bekendgemaakt op 10 december 2021 door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. De uitspraak zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
  </section>
  <footnote id="_263ec1b1-a67f-4a49-a2c1-23e6cb402280" label="1">
    <para> Dit volgt uit artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_17db8968-c060-4e57-9518-16ce5debb6d6" label="2">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1117</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>