<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2021:6216</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-02T09:48:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-12-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 21/235 en UTR 21/236</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:6216">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:6216</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-02T09:47:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2021:6216 Rechtbank Midden-Nederland , 17-12-2021 / UTR 21/235 en UTR 21/236</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2021:6216:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Parkbl. Beroep ongegrond. Volgens eiser was er geen sprake van parkeren in de zin van art. 225 lid 2 Gemw, maar overtreding van art. 10 RVV1990. De rechtbank geeft eiser geen gelijk en vindt steun in de conclusie van A-G IJzerman van 28 oktober 2021.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2021:6216:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: UTR 21/235 en 21/236</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2021 in de zaak tussen</bridgehead>
    <paragroup>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">
            [eiser]
          </emphasis>, uit [woonplaats], eiser</para>
        <para>(gemachtigde: mr. B. de Jong),</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>en</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten &amp; hoogheemraadschap Utrecht</emphasis>, verweerder</para>
        <para>(gemachtigde: R. Janmaat).<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft aan eiser op 4 februari 2020 om 12:48 uur een naheffingsaanslag parkeerbelasting (naheffingsaanslag 1) opgelegd ten bedrage van € 68,77 . In de uitspraak op bezwaar van 14 december 2020 (uitspraak op bezwaar 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer UTR 21/235.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft aan eiser op 1 februari 2020 om 14:48 uur een naheffingsaanslag parkeerbelasting (naheffingsaanslag 2) opgelegd ten bedrage van € 68,77. In de uitspraak op bezwaar van 14 december 2020 (uitspraak op bezwaar 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer UTR 21/236.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een  verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beroepen zijn op de zitting van 14 oktober 2021 via Skype behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 25 april 2021 heeft eiser verzocht om uitstel van zitting in deze zaken, omdat bij de Hoge Raad een vrijwel identieke zaak van eiser loopt en eind oktober verwacht wordt dat de procureur-generaal een conclusie zal nemen over deze rechtsvraag. De rechtbank ziet hierin geen reden om de zaak uit te stellen, mede omdat het niet duidelijk is wanneer de Hoge Raad uitspraak zal doen in deze kwestie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen </title>
    <para />
    <para>1. Aan eiser zijn de naheffingsaanslagen 1 en 2 opgelegd, omdat hij volgens verweerder zijn voertuig met kenteken [kenteken] heeft geparkeerd zonder de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. </para>
    <para />
    <para>2. Op zowel 1 als 4 februari 2020 heeft eiser zijn auto met kenteken [kenteken] geparkeerd aan de Kanaalstraat in Utrecht. Er geldt daar betaald parkeren. Tussen partijen is niet in geschil dat er geen parkeerbelasting was voldaan. Daarom zijn aan eiser de naheffingsaanslagen opgelegd. </para>
    <para />
    <para>3. Eiser voert allereerst aan dat verweerder niet bevoegd was om een naheffing parkeerbelasting op te leggen, omdat er geen sprake was van parkeren in de zin van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet. Volgens eiser is er sprake van overtreding van artikel 10 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV1990), omdat zijn auto niet op de openbare weg, maar deels op het trottoir stond. </para>
    <para>Tevens stelt eiser dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het legaliteitsbeginsel. Het was volgens eiser niet duidelijk of er parkeerbelasting moest worden betaald. Indien en voor zover verweerder zich er op beroept dat het voertuig niet voldoende op het trottoir stond om te zeggen dat in casu geen parkeerbelasting is verschuldigd, dan is dat in strijd met het legaliteitsbeginsel.</para>
    <para />
    <para>4. Volgens verweerder zijn de naheffingsaanslagen terecht opgelegd, omdat eiser geen parkeerbelasting heeft voldaan en er wel degelijk sprake was van parkeren. Eiser stond namelijk geparkeerd op een gefiscaliseerde parkeerplek. Dat eisers auto met een klein gedeelte op de stoep stond, maakt niet dat er geen sprake is geweest van parkeren. Eisers auto stond beiden keren voor ongeveer 80 tot 90 % in het parkeervak, op zodanige wijze dat niemand anders van dat vak gebruik kon maken. Omdat de betreffende parkeervakken zijn aangewezen als betaald parkeren is geen sprake van een wettelijk verbod. </para>
    <para>Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat er geen strijd is met het legaliteitsbeginsel en dat er volgens de verordening<footnote-ref linkend="_87f1b894-514f-4fe2-ab77-8d5e477a0d53" /> is gehandeld.</para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk en legt dat hierna uit. Op basis van de foto’s in de dossiers staat vast dat eisers auto op zowel 1 als 4 februari 2020 deels, met het rechter voor- en achterwiel op het trottoir stond. Dat maakt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat verweerder niet bevoegd was om de naheffingsaanslagen op te leggen. Immers, tussen partijen is niet in geschil dat eiser op de beide dagen met zijn auto het parkeervak bezet hield. Hij heeft zijn auto derhalve gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan in dat parkeervak. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn betoog dat er geen sprake zou zijn van parkeren. Daarmee hebben de belastbare feiten zich voorgedaan en was verweerder bevoegd om voor beide momenten een naheffingsaanslag op te leggen. Dat er daarnaast wellicht ook sprake was van een overtreding van het RVV1190, maakt dit niet anders. De rechtbank vindt hiervoor ook steun in de conclusie van A-G IJzerman van 28 oktober 2021<footnote-ref linkend="_b78693e4-3ec0-4ecb-9f2c-9439d9450f60" />. De beroepsgrond slaagt niet. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Verder vindt de rechtbank dat eiser zijn stelling, dat sprake is van strijd met het legaliteitsbeginsel, niet heeft onderbouwd. Volgens de rechtbank was voor eiser kenbaar dat hij met zijn auto een parkeerplaats bezet hield, waarvoor parkeerbelasting verschuldigd was.  Daarom is er geen strijd met het legaliteitsbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de naheffingsaanslagen 1 en 2 terecht opgelegd. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es- de Vries, rechter, in aanwezigheid van I. Zallali, griffier. De beslissing is uitgesproken op 17 december 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">					De rechter is verhinderd </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">					deze uitspraak te ondertekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_87f1b894-514f-4fe2-ab77-8d5e477a0d53" label="1">
    <para> Verordening op de heffing en invordering van Parkeerbelastingen 2020 gemeente Utrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b78693e4-3ec0-4ecb-9f2c-9439d9450f60" label="2">
    <para> ECLI:NL:PHR:2021:1013.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>