<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2021:6083</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T22:14:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-12-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR_20_2923</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2022/1702</rdf:li>
          <rdf:li>Belastingblad 2022/420 met annotatie van R.A. Eskes</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:6083">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:6083</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-25T11:56:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2021:6083 Rechtbank Midden-Nederland , 10-12-2021 / UTR_20_2923</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2021:6083:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Naheffingsaanslag parkeerbelastingen. Beroep gegrond. Vernietiging naheffingsaanslag. Voertuig stond niet geparkeerd op een plek die als gefiscaliseerde parkeerplek was aangewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2021:6083:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 20/2923</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2021 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr.drs. J.C. Scherff),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: M.R.S. Niamat).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Staat der Nederlanden (de Minister voor Rechtsbescherming)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft aan eiseres op 11 januari 2018 een naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [nummer] (de naheffingsaanslag) opgelegd van € 63,80, wegens het parkeren met een auto op een zogenaamde gefiscaliseerde parkeerplaats op de [locatie] in Hilversum, zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak op bezwaar van 16 februari 2018 (de bestreden uitspraak op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 13 juni 2019 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 13 juni 2019 niet-ontvankelijk verklaard.<footnote-ref linkend="_2cbeb5c7-7875-4faa-b9e1-8dac37e90a29" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij uitspraak van 11 augustus 2020 de uitspraak van de rechtbank vernietigd en teruggewezen naar de rechtbank voor verder behandeling.<footnote-ref linkend="_b6e1e2be-9c89-4e11-b7ba-93a2736a6be4" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek heropend en aan verweerder vragen gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft de vragen op 28 september 2021 beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt de naheffingsaanslag, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;</para>
    <para>- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de Minister voor Rechtsbescherming) tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 500,-;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.618,- te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 weken na bekendmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De naheffingsaanslag</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De rechtbank is van oordeel dat de [locatie] in Hilversum op 11 januari 2018 niet was aangewezen als fiscale parkeerplek. Verweerder kon daarom geen naheffingsaanslag parkeerbelasting aan eiseres opleggen.</para>
    <para />
    <para>2. De verschuldigdheid van parkeerbelasting op 11 januari 2018 moet volgen uit de </para>
    <para>Verordening op de heffing en de invordering van de Parkeerbelastingen 2018 Hilversum<footnote-ref linkend="_bb3b0bd3-1eff-4e61-b851-06bfc048a225" /> en het op artikel 9 van die verordening gebaseerde Aanwijzingsbesluit Parkeren 2018 Hilversum<footnote-ref linkend="_82062b28-fa35-4a93-80c2-3cd2ea290437" />. Deze verordening is op 1 januari 2018 in werking getreden en het Aanwijzingsbesluit op 1 april 2018. Hieruit volgt dat de [locatie] in Hilversum op 11 januari 2018 niet als fiscale parkeerplek was aangewezen.</para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft gewezen op het Besluit tot aanwijzing van plaatsen waar en het tijdstip waarop tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd en tot toepassing van de wielklem, het (herziene) Aanwijzingsbesluit Hilversum 2017.<footnote-ref linkend="_b0574a96-62a3-4e18-a7ac-6fcfea7915ed" /> In dat Aanwijzingsbesluit is de [locatie] in Hilversum, net als in het Aanwijzingsbesluit 2018, aangewezen als fiscale parkeerplek. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het Aanwijzingsbesluit Hilversum 2017 tot 1 april 2018 gegolden heeft en dat de [locatie] een aangewezen fiscale parkeerplek was.</para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank volgt verweerders standpunt niet. Het Aanwijzingsbesluit Hilversum 2017 was immers gebaseerd op (artikel 9 van) de Verordening op de heffing en invordering van de parkeerbelastingen 2017.<footnote-ref linkend="_0f9b5248-9eb2-4e57-a6ef-2e982342371a" /> Deze verordening gold echter tot en met 31 december 2017 en dat betekent ook dat het daarop gebaseerde Aanwijzingsbesluit niet meer geldig was na die datum. Het is de rechtbank verder niet gebleken dat het Aanwijzingsbesluit Hilversum 2017 met ingang van 1 januari 2018 als Aanwijzingsbesluit op grond van artikel 9 van de Verordening Parkeerbelastingen 2018 heeft te gelden.</para>
    <para />
    <para>5. Omdat het beroep op dit punt gegrond is, hoeven de andere beroepsgronden niet meer besproken te worden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Immateriële schadevergoeding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.</para>
    <para />
    <para>7. Gelet op het verzoek is de Staat der Nederlanden (de Staat) na sluiting van het onderzoek aangemerkt als derde-belanghebbende. Gelet op de Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014 heeft de rechtbank geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.<footnote-ref linkend="_def20477-d5cb-492c-91c8-04a8f00f757b" /></para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank beoordeelt het verzoek aan de hand van het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016<footnote-ref linkend="_dbc79513-9fbf-4288-b07a-a2434e631bc7" /> en het arrest van 21 juni 2019.<footnote-ref linkend="_97ab6b3b-ca57-48d5-9256-7552c6343d6c" /> Uitgangspunt is dat de behandeling door de rechtbank na verwijzing door het gerechtshof niet binnen een redelijke termijn is geweest als de uitspraak niet binnen een jaar na de verwijzing is gedaan. Voor de hoogte van de schadevergoeding is het uitgangspunt een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond.</para>
    <para />
    <para>9. In deze zaak komt de rechtbank tegemoet aan het verzoek van eiseres om vergoeding van immateriële schade. Tussen de verwijzingsuitspraak en deze uitspraak is een periode van een jaar en vier maanden verstreken, zodat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn met vier maanden. Deze overschrijding is in het geheel toe te rekenen aan de rechtbank. De rechtbank veroordeelt de Staat daarom om het bedrag van € 500,- aan eiseres te betalen.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Griffierecht en proceskosten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. De rechtbank wijst erop dat eiseres wegens betalingsonmacht is vrijgesteld van het betalen van griffierecht, zodat verweerder niet op grond van artikel 8:74 van de Awb griffierecht hoeft te vergoeden.</para>
    <para />
    <para>11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 3,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 748,- en 2,5 punten voor het verschijnen op de drie zittingen bij de rechtbank met een waarde per punt van € 748,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.618,-. </para>
    <para />
    <para>12. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2021 door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
  </section>
  <footnote id="_2cbeb5c7-7875-4faa-b9e1-8dac37e90a29" label="1">
    <para> UTR 18/3301, niet gepubliceerd.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b6e1e2be-9c89-4e11-b7ba-93a2736a6be4" label="2">
    <para> ECLI:NL:GHARL:2020:6422.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bb3b0bd3-1eff-4e61-b851-06bfc048a225" label="3">
    <para> Gemeenteblad 2017, 224916 van 19 december 2017.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_82062b28-fa35-4a93-80c2-3cd2ea290437" label="4">
    <para> Gemeenteblad 2018, 70493 van 5 april 2018.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b0574a96-62a3-4e18-a7ac-6fcfea7915ed" label="5">
    <para> Gemeenteblad 2017, 164022 van 21 september 2017.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0f9b5248-9eb2-4e57-a6ef-2e982342371a" label="6">
    <para> Gemeenteblad 2016, 159918 van 16 november 2016. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_def20477-d5cb-492c-91c8-04a8f00f757b" label="7">
    <para> Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 20210.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dbc79513-9fbf-4288-b07a-a2434e631bc7" label="8">
    <para> ECLI:NL:HR:2016:252.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_97ab6b3b-ca57-48d5-9256-7552c6343d6c" label="9">
    <para> ECLI:NL:HR:2019:1009.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>