<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2021:5997</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-09T10:54:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-12-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 21/225</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:5997">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:5997</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-09T10:43:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2021:5997 Rechtbank Midden-Nederland , 03-12-2021 / UTR 21/225</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2021:5997:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verweerder heeft een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van extra lokalen voor een periode van vijf jaar, ten behoeve van [naam derde-partij] op het perceel [adres] te [plaatsnaam]. Verweerder heeft vervolgens het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben daarna beroep ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de motivering van het besluit niet onvoldoende. Nu tussen partijen niet in geding is dat de noodlokalen makkelijk verwijderd kunnen worden, ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor de duur van vijf jaar. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook in redelijkheid kunnen concluderen dat er ten aanzien van de gevreesde parkeeroverlast geen sprake is van strijd met de goede ruimtelijke ordening.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2021:5997:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 21/225</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 december 2021 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">V.O.F. [eiseres 1]</emphasis>,<emphasis role="bold"> [eiser 2] en [eiseres 3] </emphasis>te [vestigings-/woonplaats] , eisers</para>
      <para>(gemachtigde: mr. J.T.A.M. van Mierlo),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J. van Dodenwaard).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam derde-partij] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 25 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van extra lokalen voor een periode van vijf jaar, ten behoeve van [naam derde-partij] op het perceel [adres] te [plaatsnaam] .  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 8 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2021. Van eisers is                        [eiser 2] verschenen, samen met hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens derde-partij is [A] ( [functie] ) samen met [B] verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feiten en omstandigheden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. [naam derde-partij] heeft op 23 juni 2020 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van tijdelijke noodlokalen op het perceel [adres] te [plaatsnaam] . Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Grondslag van het bestreden besluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>2. Verweerder heeft de omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c en artikel 2.12, eerste lid, sub a en onder 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het tijdelijk realiseren van noodlokalen op het perceel [adres] te [plaatsnaam] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het oordeel van de rechtbank</title>
    <bridgehead role="italic">Motivering van het besluit</bridgehead>
    <para>3. Eisers voeren aan dat de motivering om medewerking te verlenen aan de omgevingsvergunning steeds wisselend is. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank stelt voorop dat in beroep het bestreden besluit ter toetsing voorligt. Als de motivering van het bestreden besluit afwijkt van het primaire besluit, betekent dat niet dat het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel is genomen. Gelet op het uitgangspunt van volledige heroverweging van het besluit waartegen bezwaar is gemaakt, had verweerder de ruimte om in het bestreden besluit een ander standpunt in te nemen. De bezwaarschriftprocedure is bedoeld voor een volledige heroverweging die niet gebonden is aan argumenten of omstandigheden die in bezwaar aan de orde zijn gesteld.<footnote-ref linkend="_1abd8ed6-e58a-4771-9049-73e59590fb6a" /> Eisers hebben verder geen andere gronden aangevoerd die aanleiding geven tot het oordeel dat de motivering van het besluit onvoldoende is of dat verweerder in strijd met een goede procesorde heeft gehandeld. De beroepsgrond slaagt daarom niet. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bekendmaking van het besluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. Eisers voeren aan dat verweerder zich niet heeft gehouden aan artikelen 3.8 en 3.9 van de Wabo. Eisers zijn hierdoor in hun belangen geschaad.</para>
    <para />
    <para>6. Op grond van artikel 3.8 van de Wabo geeft het bevoegd gezag bij de toepassing van titel 4.1 van de Awb tevens onverwijld kennis van de aanvraag om een omgevingsvergunning in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het vermeldt daarbij de in artikel 3.1, tweede lid, bedoelde datum waarop de aanvraag is ontvangen.</para>
    <para />
    <para>7. Op grond van artikel 3.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo beslist het bevoegd gezag op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking doet het mededeling van die beschikking op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag.</para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag van 23 juni 2020 is gepubliceerd op 26 juni 2020. Het besluit van 25 juni 2020 om de omgevingsvergunning te verlenen is op 29 juni 2020 gepubliceerd. De rechtbank overweegt dat de bepalingen in de artikelen 3.8 en 3.9 van de Wabo geen volgorde voorschrijven. Uit deze bepalingen volgt dus niet dat er pas na de bekendmaking van de aanvraag van de omgevingsvergunning mag worden beslist op de aanvraag. Artikel 3.9 van de Wabo geeft slechts een beslistermijn en schrijft voor dat het besluit op dezelfde manier gepubliceerd moet worden als de publicatie van de aanvraag. Het feit dat het primaire besluit is genomen voordat de aanvraag is gepubliceerd, is daarom niet in strijd met de artikelen 3.8 en 3.9 van de Wabo. Eisers zijn hierdoor ook niet in hun belangen geschaad. Omdat de vergunning is verleend met de reguliere voorbereidingsprocedure was er geen wettelijke mogelijkheid tot inspraak voordat het besluit zou worden genomen. Ook is de bezwaarperiode door de handelswijze van verweerder niet ingekort. De beroepsgrond slaagt niet. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tijdelijke behoefte</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>9. Eisers voeren aan dat er geen sprake is van een tijdelijke behoefte van de noodlokalen voor een periode van vijf jaar. </para>
    <para />
    <para>10. De rechtbank overweegt dat een tijdelijke vergunning verleend kan worden op grond van artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). In de nota van toelichting bij de wijziging van het Bor in 2014 (Stb. 2014, 333), is onder meer vermeld dat de beperking dat slechts een tijdelijke vergunning kan worden verleend voor een activiteit die voorziet in een tijdelijke behoefte is vervallen. Ook vanwege een activiteit die voorziet in een permanente behoefte, is het mogelijk om een tijdelijke omgevingsvergunning te verlenen. Het hoeft slechts feitelijk mogelijk en aannemelijk te zijn dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd, omdat namelijk anders impliciet de activiteit voor onbepaalde tijd zou worden vergund, aldus de nota van toelichting.<footnote-ref linkend="_293b48e2-6614-4325-b26b-af325ca27035" /></para>
    <para />
    <para>11. Gelet op het voorgaande is de stelling van eisers dat er geen sprake is van een tijdelijke behoefte niet van belang voor de beoordeling van de vraag of verweerder met toepassing van artikel 4, aanhef en elfde lid, van bijlage II van het Bor de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor de duur van vijf jaar. Nu tussen partijen niet in geding is dat de noodlokalen makkelijk verwijderd kunnen worden, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor de duur van vijf jaar. De beroepsgrond slaagt niet. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Parkeeroverlast</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>12. Eisers voeren verder aan dat de plaatsing van de nieuwe gebouwen voor toename van parkeeroverlast bij het bedrijf van eisers zal zorgen. </para>
    <para />
    <para>13. De rechtbank stelt voorop dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning is getoetst aan het bestemmingsplan ‘ [.] ’. Omdat de goothoogte van de noodlokalen iets hoger is dan het bestemmingsplan voorschrijft, is er sprake van strijd met het bestemmingsplan. Voor het overige is het plan niet in strijd met het bestemmingsplan. Dat betekent dat verweerder voor dat deel van het bouwplan geen beleidsruimte heeft en de omgevingsvergunning moet verlenen als de aanvraag verder voldoet aan de voorschriften uit het Bouwbesluit en de bouwverordening en in overeenstemming is met de redelijke eisen van welstand. Het voorgaande betekent ook dat de ruimtelijke effecten van wat reeds op grond van het bestemmingsplan is toegestaan buiten beschouwing moeten blijven. Omdat het bouwplan alleen wat betreft de goothoogte van de noodlokalen afwijkt van het bestemmingsplan, mag verweerder dus alleen rekening houden met de ruimtelijke gevolgen van die overschrijding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen concluderen dat er op dit punt geen sprake is van strijd met de goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft onder andere overwogen dat de hogere goothoogte ruimtelijk aanvaardbaar is omdat deze de maximale bouwhoogte niet overschrijdt, de overschrijding van de goothoogte gering is, de noodlokalen niet grenzen aan openbaar gebied en op ruime afstand zijn gerealiseerd van het perceel van omwonenden (en eisers). De rechtbank overweegt hierbij dat de vrees voor een toename van parkeeroverlast niet het gevolg is van het afwijken van de in het bestemmingsplan voorgeschreven goothoogte. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>14. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen verlenen voor een periode van vijf jaar. </para>
    <para />
    <para>15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi, griffier. De beslissing is uitgesproken op 3 december 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_1abd8ed6-e58a-4771-9049-73e59590fb6a" label="1">
    <para> Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:315.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_293b48e2-6614-4325-b26b-af325ca27035" label="2">
    <para> Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3276.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>