<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2021:5597</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-09T10:42:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-07-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 21/1985</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:5597">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:5597</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-08T22:05:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2021:5597 Rechtbank Midden-Nederland , 08-07-2021 / UTR 21/1985</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2021:5597:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eiseres heeft verweerder verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Verweerder heeft ten onrechte ingestemd met rechtstreeks beroep.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2021:5597:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND </bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 21/1985 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2021 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">(gemachtigde: L.B.J. Vrolijk),</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, </emphasis>verweerder. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft op 13 april 2021 een bezwaarschrift ingediend tegen een besluit van </para>
      <para>verweerder van 31 maart 2021. Eiseres heeft verweerder in het bezwaarschrift verzocht om</para>
      <para>in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft het bezwaarschrift bij brief van 12 mei 2021 naar de rechtbank </para>
      <para>doorgezonden en heeft de rechtbank verzocht om het te behandelen als rechtstreeks beroep. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de indiener in het bezwaarschrift het bestuursorgaan kan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, zulks in afwijking van artikel 7:1 van de Awb. </para>
    <para>Het derde lid van dit artikel bepaalt dat het bestuursorgaan kan instemmen met het verzoek indien de zaak daarvoor geschikt is. Het vijfde lid bepaalt dat indien het bestuursorgaan instemt met het verzoek, het bestuursorgaan het bezwaarschrift, onder vermelding van de datum van ontvangst, onverwijld doorzendt aan de bevoegde rechter.  </para>
    <para />
    <para>2. Artikel 8:54a, eerste lid, van de Awb bepaalt dat, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, de bestuursrechter het onderzoek kan sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is omdat het bestuursorgaan ten onrechte heeft ingestemd met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. het tweede lid van dit artikel bepaalt dat in dat geval de uitspraak ertoe strekt dat het bestuursorgaan het beroepschrift als bezwaarschrift behandelt. </para>
    <para />
    <para>3. Bij brief van 12 mei 2021 heeft verweerder het verzoek van eiseres om in te stemmen met rechtstreeks beroep doorgezonden naar de rechtbank. Hierbij is aangegeven dat zij akkoord gaan met het verzoek om rechtstreeks beroep in te stellen op grond van artikel 7:1a van de Awb. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder kennelijk ten onrechte heeft ingestemd met rechtstreeks beroep bij de rechtbank. Daartoe wordt het volgende overwogen. </para>
    <para />
    <para>5. Doel van artikel 7:1a van de Awb is om bestuursrechtelijke geschilbeslechting waar mogelijk te vereenvoudigen en te verkorten. Het bieden van de mogelijkheid van het overslaan van de bezwaarschriftprocedure is, zo blijkt uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel, bedoeld voor die gevallen waarin bij de totstandkoming van het primaire besluit van het bestuur al een zodanig uitputtende gedachtewisseling tussen bestuur en belanghebbende heeft plaatsgevonden, dat de bezwaarschriftprocedure daar weinig meer aan kan toevoegen, terwijl tevens vaststaat dat de belanghebbende het met het besluit niet eens is (Kamerstukken II, 2000/01, 27 563, nr. 3, p.3). Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer heeft de minister van Justitie benadrukt dat in de visie van de regering rechtstreeks beroep uitzondering moet blijven en dat de bezwaarschriftenprocedure slechts in bijzondere gevallen achterwege behoort te blijven. De minister voegde daar aan toe dat het voor de hand ligt dat de bezwaarmaker die het bestuur verzoekt de bezwaarschriftprocedure over te slaan, gemotiveerd aangeeft waarom zijn bezwaarschrift een bijzonder geval is. Als voorbeelden van uitzonderlijke situaties noemt de minister de in het rapport van de Commissie rechtsbescherming van de Vereniging voor bestuursrecht VAR genoemde situatie dat alle betrokkenen hun argumenten reeds bij de voorbereiding van het besluit zo uitputtend hebben gewisseld, dat bij voorbaat vaststaat dat een bezwaarschriftenprocedure geen toegevoegde waarde zal hebben, en gevallen waarin geen enkel verschil van mening over de feiten bestaat, maar waarin partijen een rechterlijke beslissing over een rechtsvraag nodig hebben om hun geschil te beëindigen (Kamerstukken I, 2004/4, 27 563, p. 1-2).</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank stelt vast dat eiseres haar verzoek om met rechtstreeks beroep in te stemmen enkel rust op de veronderstelling dat verweerder niet bereid is om een andere beslissing te nemen. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de voorwaarde dat er een zodanig uitputtende gedachtewisseling heeft plaatsgevonden tussen partijen dat de bezwaarschriftprocedure bij voorbaat geen toegevoegde waarde meer heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is ook niet gebleken dat de standpunten van partijen in de voorbereiding van het primaire besluit over en weer al zozeer zijn uitgewisseld dat de bezwaarschriftenprocedure zou neerkomen op een herhaling van zetten.</para>
    <para />
    <para>7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroepschrift met toepassing van artikel 8:54a van de Awb als bezwaarschrift dient te worden behandeld. De rechtbank zal het beroepschrift derhalve naar verweerder doorzenden om het als bezwaarschrift in behandeling te nemen. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>draagt verweerder op om het beroepschrift als bezwaarschrift in behandeling te nemen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van</para>
      <para>K.F.K. Hoogbruin, griffier. De beslissing is uitgesproken op 8 juli 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier								rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. </bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>