<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2021:5557</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-10T09:40:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-11-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 21/330</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:5557">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:5557</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-09T14:33:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2021:5557 Rechtbank Midden-Nederland , 11-11-2021 / UTR 21/330</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2021:5557:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Mondelinge uitspraak.  Bijstand. Boete. Schending inlichtingenplicht. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2021:5557:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 21/330</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 november 2021 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. C.J. van der Have),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: V.V. Tuchkova).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 12 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 635,40. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 9 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via Skype op 11 november 2021. Eiseres en haar gemachtigde zijn, zonder bericht van afwezigheid, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Eiseres krijgt dus geen gelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.</para>
    <para />
    <para>2. Eiseres ontvangt sinds 1 oktober 2015 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande op grond van de Participatiewet (Pw). Bij besluit van 30 juni 2020 heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres herzien over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 januari 2020 en de ten onrechte ontvangen bijstand teruggevorderd. Bij besluit van <?linebreak?>11 augustus 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het door eiseres hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank van 20 januari 2021<footnote-ref linkend="_c535320e-f8b4-44d3-9de4-f39c29af7bb0" /> ongegrond verklaard. Eiseres heeft hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat het hoger beroep <?linebreak?>niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht. Tevens heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat de boete inmiddels is afgelost.</para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft aan eiseres een boete opgelegd van € 635,40 omdat zij de inlichtingenplicht heeft geschonden door bijschrijvingen op haar rekening niet te melden. Verweerder is uitgegaan van de normale verwijtbaarheid en heeft de boete gematigd gelet op de draagkracht van eiseres.</para>
    <para />
    <para>4. Eiseres vindt dat zij haar inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Zij wist niet dat zij bijschrijvingen moest melden. Bovendien heeft zij geld van haar broer geleend om haar schulden niet verder te laten oplopen. Dit kan haar niet verweten worden, vindt eiseres. Van een benadelingsbedrag is dan ook geen sprake. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank geeft eiseres hierin geen gelijk. Vast staat dat eiseres de bijschrijvingen op haar bankrekening in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 januari 2020 niet heeft gemeld bij verweerder. Volgens rechtspraak van de hoogste rechter worden bijschrijvingen in beginsel als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw aangemerkt.<footnote-ref linkend="_aea8506c-a2da-423f-93b9-680b0751ef9e" /> Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet vrijelijk kon beschikken over de op haar bankrekening bijgeschreven bedragen. Zij kon deze bedragen gebruiken voor haar levensonderhoud. Het had eiseres redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze bijschrijvingen van belang waren voor het recht op bijstand en dat zij deze moest melden bij verweerder. Omdat zij dat niet heeft gedaan heeft zij de inlichtingenplicht geschonden.<footnote-ref linkend="_42edb6bf-0737-4e1b-868b-09125eda6349" /> Verweerder is benadeeld omdat hierdoor teveel bijstand is betaald aan eiseres. </para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank is verder van oordeel dat eiseres van het niet nakomen van haar verplichting een verwijt kan worden gemaakt. Verweerder was daarom verplicht om een boete op te leggen.<footnote-ref linkend="_b4fa7594-b1cf-4819-957e-6eadb10edb48" /> Verweerder is daarbij terecht ervan uitgegaan dat de gedraging eiseres normaal is te verwijten. Van verminderde verwijtbaarheid is niet gebleken. Daarom is 50% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming van de boete op het aspect van verwijtbaarheid. </para>
    <para />
    <para>7. Verweerder is voor de hoogte van de boete terecht uitgegaan van een draagkracht die is berekend op basis van een beslagvrije voet van 95% van de toepasselijke bijstandsnorm. Verweerder heeft daarom de boete terecht verlaagd naar € 635,40. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding bestond om de boete verder te matigen. </para>
    <para />
    <para>8. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres haar proceskosten niet vergoed.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr. M. van Ettikhoven, griffier. De beslissing is uitgesproken op 11 november 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_c535320e-f8b4-44d3-9de4-f39c29af7bb0" label="1">
    <para> ECLI:NL:RBMNE:2021:247.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aea8506c-a2da-423f-93b9-680b0751ef9e" label="2">
    <para> Zie bijvoorbeeld een uitspraak van de CRvB van 17 maart 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:679)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_42edb6bf-0737-4e1b-868b-09125eda6349" label="3">
    <para> Artikel 17 van de Pw</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b4fa7594-b1cf-4819-957e-6eadb10edb48" label="4">
    <para> Artikel 18a, eerste lid, van de Pw</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>