<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2021:494</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T11:02:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-02-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-01-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 20/495, UTR 20/603, UTR 20/604, UTR 20/605 en UTR 20/606</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Belastingblad 2021/166</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2021-0882</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2021031205</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:494">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:494</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-03-12T12:12:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-03-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2021:494 Rechtbank Midden-Nederland , 15-01-2021 / UTR 20/495, UTR 20/603, UTR 20/604, UTR 20/605 en UTR 20/606</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2021:494:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vijf naheffingsaanslagen parkeerbelastingen. Geen geldig parkeerrecht. Verweerder heeft artikel 234, lid 5, van de Gemeentewet in acht genomen. Beroepen ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2021:494:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: UTR 20/495, UTR 20/603, UTR 20/604, UTR 20/605 en UTR 20/606 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2021 in de zaken tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach) </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten &amp; hoogheemraadschap Utrecht</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: P.E. Boersma).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">UTR 20/495</emphasis>
      </para>
      <para>In de beschikking van 8 juli 2019 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 62,70 opgelegd. Volgens verweerder heeft eiser met zijn voertuig, kenteken [kenteken] , om 17:23 uur op [adres] in [plaats] geparkeerd zonder de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. </para>
      <para>In de uitspraak op bezwaar van 13 december 2019 is het bezwaar ongegrond verklaard. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd, maar wordt ambtshalve uit coulance vernietigd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">UTR 20/603</emphasis>
      </para>
      <para>In de beschikking van 1 juli 2019 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 62,70 opgelegd. Volgens verweerder heeft eiser met zijn voertuig, kenteken [kenteken] , om 14.34 uur op [adres] in [plaats] geparkeerd zonder de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. </para>
      <para>In de uitspraak op bezwaar van 13 december 2019 is het bezwaar ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">UTR 20/604</emphasis>
      </para>
      <para>In de beschikking van 3 juli 2019 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 62,70 opgelegd. Volgens verweerder heeft eiser met zijn voertuig, kenteken [kenteken] , om 13:12 uur op [adres] in [plaats] geparkeerd zonder de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. </para>
      <para>In de uitspraak op bezwaar van 13 december 2019 is het bezwaar ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">UTR 20/605</emphasis>
      </para>
      <para>In de beschikking van 4 juli 2019 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 62,70 opgelegd. Volgens verweerder heeft eiser met zijn voertuig, kenteken [kenteken] , om 14:36 uur op [adres] in [plaats] geparkeerd zonder de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. </para>
      <para>In de uitspraak op bezwaar van 13 december 2019 is het bezwaar ongegrond verklaard. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd, maar wordt ambtshalve uit coulance vernietigd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">UTR 20/606</emphasis>
      </para>
      <para>In de beschikking van 6 juli 2019 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 62,70 opgelegd. Volgens verweerder heeft eiser met zijn voertuig, kenteken [kenteken] , om 10:46 uur op [adres] in [plaats] geparkeerd zonder de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. </para>
      <para>In de uitspraak op bezwaar van 13 december 2019 is het bezwaar ongegrond verklaard. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd, maar wordt ambtshalve uit coulance vernietigd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen de vijf naheffingsaanslagen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is behandeld op een Skype-zitting van 4 december 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Aan eiser zijn vijf naheffingsaanslagen opgelegd. In drie van de vijf uitspraken op</para>
    <para>bezwaar van 13 december 2019 heeft verweerder de naheffingsaanslagen uit coulance vernietigd. Dit betreft de naheffingsaanslagen van 4, 6 en 8 juli 2019. </para>
    <para />
    <para>2. Eiser voert aan dat verweerder niet heeft voldaan aan de onderzoeksplicht. Verweerder</para>
    <para>had namelijk moeten nagaan of eiser een parkeervergunning had die net was afgelopen. Door dit na te laten, handelt verweerder in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Eiser verwijst naar jurisprudentie om zijn standpunt te onderbouwen.<footnote-ref linkend="_55a473ae-c11b-4b11-82e8-e4f39a06a14a" /></para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank overweegt dat de belastingplichtige verantwoordelijk is om de</para>
    <para>parkeerbelasting tijdig te voldoen, bijvoorbeeld door het verlengen van een parkeervergunning of door anderszins te zorgen dat hij de verschuldigde parkeerbelasting voldoet. De rechtbank oordeelt dat verweerder in dat verband geen bijzondere onderzoeksplicht heeft, maar slechts dient na te gaan of eiser ten tijde van het parkeren de parkeerbelasting heeft voldaan. Uit het (op ambtseed opgemaakte) fiscale brondocument van de vijf naheffingsaanslagen blijkt dat verweerder hiernaar onderzoek heeft gedaan. Niet is gebleken dat eiser een geldige parkeervergunning had of dat hij de parkeerbelasting op aangifte had voldaan. De rechtbank stelt vast dat verweerder artikel 234, lid 5, van de Gemeentewet in acht heeft genomen, door niet vaker dan eenmaal per kalenderdag een naheffingsaanslag op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <para>4. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder aan hem had moeten communiceren dat de</para>
    <para>parkeervergunning zou worden beëindigd. Eiser verwijst naar jurisprudentie om dit standpunt te onderbouwen.<footnote-ref linkend="_c6ee4e9c-a67d-41e6-8844-54d92a9a1d90" /></para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank overweegt dat de door eiser aangevoerde zaak een situatie betreft waar</para>
    <parablock>
      <para>sprake was van een afgegeven machtiging tot automatische incasso van de parkeervergunning. Dat is in deze zaak niet aan de orde, want eiser ontvangt voorafgaand aan een nieuwe vergunningsperiode een factuur. De rechtbank stelt vast dat verweerder voor de beëindiging van de parkeervergunning aan eiser op 27 mei 2019 een factuur en op </para>
      <para>24 juni 2019 een betalingsherinnering heeft gestuurd. In het beroepschrift erkent eiser dat de betalingsherinnering van 24 juni 2019 door hem is ontvangen. Eiser wordt in deze brief door verweerder erop gewezen dat als hij de factuur voor zijn parkeervergunning voor de periode van 1 juli tot 1 oktober 2019 niet alsnog zal betalen, hij vanaf 1 juli 2019 het risico loopt op een parkeerbon. Naar het oordeel van de rechtbank ligt de omstandigheid dat eiser deze brief niet heeft gelezen in zijn risicosfeer. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Op de zitting is gebleken dat de gemachtigde van eiser niet op de hoogte was dat</para>
    <para>verweerder drie naheffingsaanslagen uit coulance heeft vernietigd. Hij handhaaft deze beroepen met kenmerken UTR 20/495, UTR 20/605 en UTR 20/606. Het procesbelang is volgens hem gelegen in de proceskostenveroordeling. De gemachtigde van eiser voert aan dat de drie naheffingsaanslagen niet zijn ingetrokken uit coulance, maar omdat hij erover is gaan procederen. Op grond daarvan moet volgens hem een proceskostenveroordeling worden toegekend.</para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank oordeelt dat niet aan de criteria van artikel 7:15 van de Algemene wet</para>
    <para>bestuursrecht (Awb) is voldaan. Zij ziet daarom geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenveroordeling. De bestreden besluiten zijn namelijk niet herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De vijf naheffingsaanslagen zijn terecht opgelegd, maar verweerder heeft drie daarvan ambtshalve uit coulance vernietigd. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <para>8. Het beroep tegen de vijf naheffingsaanslagen is ongegrond. Voor een</para>
    <para>proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart de vijf beroepen ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. L.M.A. Koeman, griffier. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op </para>
      <para>15 januari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_55a473ae-c11b-4b11-82e8-e4f39a06a14a" label="1">
    <para> ECLI:NL:RVS:2016:963, ECLI:NL:CRVB:2010:BM8897 en ECLI:NL:GHDHA:2019:3414.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c6ee4e9c-a67d-41e6-8844-54d92a9a1d90" label="2">
    <para> ECLI:NL:GHAMS:2016:4325.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>