<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2021:3484</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-30T13:06:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-07-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 20/4748</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:3484">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:3484</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-16T13:30:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2021:3484 Rechtbank Midden-Nederland , 08-07-2021 / UTR 20/4748</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2021:3484:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pv mondelinge uitspraak, herziening en terugvordering bijstand, schending inlichtingenplicht, sprake van periodieke bijschrijvingen op bankrekeningen van minderjarige kinderen waarover redelijkerwijs beschikt kon worden, beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2021:3484:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 20/4748</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">8 juli 2021 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. K.T. Ghaffari),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad</emphasis>, verweerder<emphasis role="bold">.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Inleiding en procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres ontvangt vanaf 16 februari 2011 bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder is een onderzoek gestart naar de woon- en leefsituatie van eiseres. In dat kader heeft verweerder informatie opgevraagd bij eiseres, waarnemingen verricht bij de woning van eiseres, een huisbezoek afgelegd bij eiseres en eiseres gehoord. De resultaten van dit onderzoek heeft verweerder vastgelegd in een rapport handhaving van 18 februari 2020. Ook heeft verweerder een rapport inkomsten opgesteld op 7 mei 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omdat uit de onderzoeksresultaten volgt dat eiseres op de bankrekeningen van haarzelf en haar kinderen inkomsten van derden heeft ontvangen, heeft verweerder de bijstand van eiseres bij besluit van 7 mei 2020 (het primaire besluit 1) over de periode van 27 februari 2011 tot en met 10 december 2019 herzien. Ook heeft verweerder bij besluit van 15 mei 2020 (het primaire besluit 2) de over deze periode teveel ontvangen bijstand van bruto </para>
      <para>€ 19.472,97 van eiseres teruggevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres is het hiermee niet eens en heeft pro forma bezwaar gemaakt tegen beide primaire besluiten. Op 12 augustus 2020 heeft eiseres haar bezwaargronden ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 16 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard. Als reden heeft verweerder hiervoor gegeven dat eiseres maandelijkse bijschrijvingen op de bankrekeningen van haar kinderen heeft ontvangen. Deze bijschrijvingen zijn aan te merken als inkomsten in de zin van de Pw. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij de bijschrijvingen niet heeft gebruik voor boodschappen. Doordat eiseres van de bijschrijvingen geen melding heeft gemaakt, heeft zij een te hoog bedrag aan bijstand ontvangen. Daarom is verweerder overgegaan tot herziening en terugvordering. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres is het hier niet mee eens en heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2021 via Skype for Business. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende uitleg.</para>
    <para />
    <para>2. Eiseres stelt primair dat van inkomsten in de zin van de Pw geen sprake is. </para>
    <para>Eiseres heeft niet redelijkerwijs kunnen beschikken over de tegoeden op de spaarrekeningen van haar kinderen. Het betrof spaargeld voor de kinderen. Incidenteel heeft eiseres in 2019 een klein deel van de spaarrekening aangewend voor het levensonderhoud van de kinderen. Eiseres had het dat jaar lastig vanwege een aantal grote uitgaves. Ze heeft toen van het geld op de spaarrekeningen boodschappen voor het gezin gedaan. Eiseres stelt subsidiair dat verweerder de tegoeden ten onrechte niet heeft aangemerkt als (vrij te laten) vermogen. </para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat in de periode van 27 februari 2011 tot en met 10 december 2019 periodiek bijschrijvingen van minstens € 50,-- op de bankrekeningen van de (in die periode) minderjarige kinderen (geboren in 2012 en 2009) van eiseres hebben plaatsgevonden. Vaststaat ook dat eiseres hiervan geen melding heeft gemaakt bij verweerder. </para>
    <para />
    <para>4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres daarmee haar inlichtingenplicht geschonden. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)<footnote-ref linkend="_a0b64e8a-6b92-417f-8a91-1a6b858d6040" /> kan ervan uit worden gegaan dat eiseres redelijkerwijs over de tegoeden op de bankrekeningen op naam van haar minderjarige, inwonende, kinderen heeft kunnen beschikken. Dit blijkt ook uit de feiten. Eiseres erkent dat zij in 2019 boodschappen gedaan van de gelden op de spaarrekeningen. Dat zij dat vóór 2019 niet heeft gedaan betekent niet dat zij juridisch gezien niet over gelden heeft kunnen beschikken. </para>
    <para>Ook volgt uit vaste rechtspraak van de CRvB<footnote-ref linkend="_ce2b7386-f6c5-48ed-9fdb-dae6eb1182d7" /> dat dergelijke periodieke bijschrijvingen op de bankrekening van de minderjarige inwonende kinderen van eiseres worden aangemerkt als middelen en inkomsten in de zin van de Pw. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze bijschrijvingen door verweerder dan terecht aangemerkt als inkomsten in de zin van de Pw. Verweerder is terecht over gegaan tot herziening en terugvordering van de teveel ontvangen bijstand. Eiseres heeft geen aparte gronden tegen de terugvordering aangevoerd.</para>
    <para />
    <para>5. Aan een bespreking van de subsidiaire beroepsgrond van eiseres komt de rechtbank niet meer toe. Dit kan namelijk niet tot een andere uitkomst leiden. </para>
    <para />
    <para>6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2021. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
  </section>
  <footnote id="_a0b64e8a-6b92-417f-8a91-1a6b858d6040" label="1">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:293</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ce2b7386-f6c5-48ed-9fdb-dae6eb1182d7" label="2">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>