<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2021:3107</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-01T08:13:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-03-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/16/517948 / KG ZA 21-126</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:3107">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:3107</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-01T08:12:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2021:3107 Rechtbank Midden-Nederland , 26-03-2021 / C/16/517948 / KG ZA 21-126</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2021:3107:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executiegeschil. Eiseres komt eerdere veroordeling vonnis in kg niet na. Verhoging opgelegd dwangsom (in reconventie).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2021:3107:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="db6119dc-b9a2-481b-a1b7-f95e645c2672" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="f42ffefc-7bc0-4d28-9ab9-9b12dfeda035" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>handelskamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/16/517948 / KG ZA 21-126</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in kort geding van 26 maart 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [partij I] B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,</para>
      <para>eiseres in conventie,</para>
      <para>verweerster in reconventie,</para>
      <para>advocaat mr. N. Rensen te Etten-Leur,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [partij II] B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,</para>
      <para>gedaagde in conventie,</para>
      <para>eiseres in reconventie,</para>
      <para>advocaat mr. I.J.A.J. Hanssen te Beugen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [partij I] en [partij II] genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding met 16 producties,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie van [partij II] met 6 producties, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de nagekomen producties 7 tot en met 12 van [partij II] ,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de pleitnota van [partij I] ,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de pleitnota van [partij II] .</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft op 12 maart 2021 plaatsgevonden, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Op de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de door [partij I] op 12 maart 2021 om 01:59 uur  ingediende producties, genummerd 16 t/m 24, buiten beschouwing worden gelaten, omdat deze producties in strijd met artikel 6.2. van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie te laat, namelijk niet binnen 24 uur vóór de mondelinge behandeling, zijn ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Waar gaat het over</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [partij I] ontzorgt drinkwaterbedrijven bij het duurzaam verwerken van reststromen die vrijkomen bij het winnen van drinkwater en zuiveren van huishoudelijk afvalwater. Een van de reststromen van drinkwaterbedrijven zijn kalkorrels, afkomstig uit het onthardingsproces. [partij I] verwerkt 90.000 ton kalkorrels per jaar. Deze kalkorrels worden dagelijks, 24 uur per dag, op 45 locaties geproduceerd en moeten volcontinue afgevoerd worden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [partij II] handelt in het gemalen product van kalkkorrels die GMP+ gecertificeerd zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Sinds 1 januari 2019 levert [partij I] op regelmatige basis de GMP+ gecertificeerde kalkkorrels van [onderneming 1] ( [onderneming 1] ) aan<?linebreak?>[partij II] . Aanvankelijk gebeurde dit op basis van mondelinge afspraken tussen partijen. Op 3 februari 2020 hebben partijen gesproken over de wijze waarop zij hun afspraken wilden voortzetten en schriftelijke vaststelling daarvan. [partij I] heeft vervolgens een opzet van een overeenkomst gemaakt en die op 4 februari 2020 naar [partij II] gemaild. <?linebreak?> heeft deze opzet van de overeenkomst aangepast en op 24 februari 2020 via de mail geretourneerd. De samenwerking is blijven doorgaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>In het najaar van 2020 is tussen partijen een discussie ontstaan over de inhoud van de door hen gemaakt afspraken. [partij I] heeft tijdens een gesprek op 24 september 2020 de overeenkomst tussen partijen per 1 januari 2021 opgezegd. [partij II] was het daar niet mee eens. Volgens [partij II] hadden partijen een overeenkomst voor de duur van twee jaar gesloten die niet kon worden opgezegd. Daarop heeft [partij II] een kort geding procedure gestart en – kort gezegd – gevorderd dat [partij I] de overeenkomst tussen partijen tot 1 februari 2022 moet nakomen. Daarbij heeft zij ook gevorderd dat [partij I] veroordeeld wordt tot betaling van een dwangsom van € 25.000,00, wanneer zij niet voldoet aan de veroordeling en meer in het bijzonder voor iedere weigering om op grond van de overeenkomst de te leveren producten (kalkkorrels) van de twee bronnen ( [locatie 1] / [locatie 2] ) tegen de uit de overeenkomst voortvloeiende tarieven en of voorwaarden te leveren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij vonnis in kort geding van 18 december 2020 vastgesteld dat tussen partijen op 3 februari 2020 een overeenkomst tot stand is gekomen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter de door [partij II] aangepaste versie (van door [partij I] opgestelde overeenkomst) van 24 februari 2020 als uitgangspunt genomen. Die overeenkomst ziet er als volgt uit:</para>
      <para>*</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter heeft in het vonnis in kort geding van 18 december 2020, voor zover relevant, als volgt overwogen en/of geoordeeld:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“2.19. 	[partij I] heeft afgesproken om vanaf 1 januari 2021 aan een andere (derde)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">partij kalkkorrels te gaan leveren. Deze partij gaat meer volume afnemen dan [partij II]</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">en tegen een betere prijs. Dit volume is volgens [partij I] dusdanig groot dat er geen</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">kalkkorrels meer over zullen zijn voor [partij II] . Deze andere partij past bovendien beter</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">bij de duurzaamheidsdoelstellingen die [partij I] ( [onderneming 1] ) heeft. [partij I] vindt</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">het daarom een interessantere partij dan [partij II] .</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.20.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dat kan zo zijn, maar met [partij II] zijn afspraken gemaakt die [partij I]</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">dient na te komen. Niet betwist is dat de overeenkomst voor bepaalde tijd van twee jaar niet</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">voortijdig kan worden opgezegd. Evenmin is het aannemelijk dat het naar maatstaven van</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [partij I] aan de duur van de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">overeenkomst (en daarmee aan haar leveringsverplichting) wordt gehouden. Het enige wat</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">er aan haar kant speelt, is dat zich een nieuwe contractspartij heeft aangediend. Dat zij</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">daarmee kennelijk al afspraken heeft gemaakt, moet voor haar rekening en risico komen. De</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">belangen van [partij II] bij nakoming van de leveringsverplichting ook na 1januari 2021</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">zijn daarentegen groot: zij heeft gesteld dat zij de kalkkorrels niet gemakkelijk ergens</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">anders vandaan kan halen, zeker niet op korte(re) termijn. Volgens [partij II] zijn er geen</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">andere GMP+ gecertificeerde bronnen. Het certificeren van bronnen is een langdurig traject.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [partij I] heeft dit onvoldoende weersproken. Aannemelijk is dat het staken van de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">leveringen aan [partij II] tot gevolg zal hebben dat [partij II] de door haar gemaakte</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">afspraken met onder andere haar afnemer niet kan nakomen en dat dit haar bedrijfsvoering</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">in gevaar zal brengen.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <parablock>
        <para>De voorzieningenrechter heeft in het vonnis in kort geding van 18 december 2020, voor zover relevant, als volgt beslist:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“3.1 	gebiedt [partij I] de op 3 februari 2020 met [partij II] gesloten overeenkomst na te blijven komen vanaf 31 december 2020 tot 1 februari 2022, in het bijzonder door:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">- het op afspraak leveren van calacietkorrels uit de GMP+ gecertificeerde bronnen van [onderneming 1] , </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">- waarbij een minimaal volume van ca. 2600 ton en een maximaal volume van ca. 4200 ton kalkkorrels per jaar geldt,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">-tegen een prijs van € 15,00 per ton,</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">veroordeelt [partij I] om aan [partij II] een dwangsom te betalen van € 25.000,00 voor iedere keer dat zij niet voldoet aan de in 3.1 uitgesproken veroordeling, tot een maximum van € 250.000,00 is bereikt,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat vordert [partij I] nu?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>
        [partij I] is het niet eens met de uitspraak van de voorzieningenrechter in kort geding van 18 december 2020 voor wat betreft de vaststelling dat de overeenkomst tot 1 februari 2022 voortduurt. Echter, uitgaande van die vaststelling, vordert [partij I] in deze procedure – kort samengevat en zakelijk weergegeven – om [partij II] te veroordelen de kalkkorrels die door [partij I] worden aangeboden van locatie [locatie 1] af te nemen en [partij II] te gebieden de kalkkorrels uitsluitend aan [onderneming 2] (hierna: [onderneming 2] ) te leveren en haar van een bewijs van levering aan [onderneming 2] te voorzien. Een en ander op straffe van een dwangsom. Verder vordert [partij I] om <?linebreak?>[partij II] te verbieden het vonnis in kort geding van 18 december 2020 te executeren dan wel alleen tegen zekerheidstelling in de vorm van een bankgarantie. Ten slotte vordert [partij I] veroordeling van [partij II] in de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat vordert [partij II] ?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>
        [partij II] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en een tegenvordering ingesteld. Zij vordert verhoging van de onder 3.2. van het vonnis in kort geding van 18 december 2020 opgelegde dwangsom tot € 500.000,00 in plaats van € 250.000,00, met veroordeling van [partij I] in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen, voor zover relevant, wordt hierna ingegaan.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Wat oordeelt de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">In conventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Gelet op de aard van de vorderingen heeft [partij I] voldoende spoedeisend belang bij de beoordeling ervan in kort geding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De kern vraag is wat partijen met elkaar hebben afgesproken en tot nakoming van welke afspraken [partij I] is veroordeeld in het vonnis in kort geding 18 december 2020.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [partij I] stelt dat zij op grond van het voornoemd vonnis is gehouden minimaal 2.600 ton en maximaal 4.200 ton kalkkorrels per jaar te leveren uit de GMP+ gecertificeerde bronnen van [onderneming 1] . [onderneming 1] heeft twee gecertificeerde bronnen: [locatie 2] en [locatie 1] .</para>
        <para>Om te kunnen voldoen aan de veroordeling als neergelegd in het vonnis in kort geding van 18 december 2020 moet zij wekelijks kalkkorrels aan [partij II] aanbieden. </para>
        <para>
          [partij I] stelt dat op grond van de in 2.5. weergegeven overeenkomst in verbinding met het voormelde vonnis [partij II] gehouden is om zowel van de locatie [locatie 2] als de locatie [locatie 1] kalkkorrels af te nemen. Als [partij II] een bestelling plaats en [partij I] haar kalkkorrels van de locatie [locatie 1] aanbiedt dan is [partij II] dus gehouden om de kalkkorrels van die locatie af te nemen.</para>
        <para>
          [partij II] heeft kalkkorrels bij haar besteld. [partij I] heeft [partij II] kalkkorrels aangeboden van de locaties [locatie 2] en [locatie 1] . [partij II] weigert echter om de kalkkorrels van de locatie [locatie 1] af te nemen en stelt vervolgens dat [partij I]  dwangsommen is verschuldigd geworden omdat zij niet aan de veroordeling als vermeld onder 3.1. van het vonnis in kort geding van 18 december 2020 voldoet.<?linebreak?> vordert daarom onder meer veroordeling van [partij II] om de aangeboden kalkkorrels van de locatie [locatie 1] af te nemen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>
        [partij II] betwist dit. Volgens [partij II] moet [partij I] haar de kalkkorrels leveren vanaf de locatie waar zij die bestelt. Zij heeft alleen kalkkorrels van de locatie [locatie 2] besteld en niet ook vanaf de locatie [locatie 1] . <?linebreak?>Volgens [partij II] heeft [partij I] vanaf 1 februari 2019 ook altijd op afroep de kalkkorrels van de locatie [locatie 2] geleverd, maar vanaf 1 januari 2021 (na het vonnis) biedt zij haar ineens ongevraagd kalkkorrels van [locatie 1] aan. Dat zijn partijen niet overeengekomen, aldus [partij II] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter overweegt als volgt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Kan [partij I] voldoen aan de wekelijkse vraag van [partij II] om levering van 99 ton kalkkorrels van de locatie [locatie 2] ? Ja </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <parablock>
        <para>Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [partij I] in de eerste plaats niet aannemelijk gemaakt dat zij niet kan voldoen aan de wekelijkse vraag van<?linebreak?>[partij II] om een bepaalde hoeveelheid kalkkorrels vanaf de locatie [locatie 2] te leveren. Als onvoldoende weersproken staat immers vast dat op de locatie [locatie 2] jaarlijks 7.200 ton kalkkorrels wordt geproduceerd, hetgeen neerkomt op gemiddeld 139 ton kalkkorrels per week. Volgens [partij I] heeft [partij II] vanaf januari 2021 steeds 99 ton per week besteld. <?linebreak?>Gelet op het voorgaande kan de voorzieningenrechter zonder nadere uitleg, die nu niet is gegeven, [partij I] daarom niet volgen in haar standpunt dat zij niet kan voldoen aan de wekelijkse vraag van [partij II] om levering van 99 ton klakkorrels van de locatie [locatie 2] . Daar komt bij dat tussen partijen niet in geschil is dat op [partij I] geen verplichting rust om een bepaalde (gemaximeerde) hoeveelheid kalkkorrels per week (van een bepaalde locatie) te leveren dan wel dat [partij II] slechts het contractuele recht heeft per week een gemaximeerde hoeveelheid kalkkorrels (van een bepaalde locatie) te bestellen. <?linebreak?>[partij I] moet alleen leveren wanneer [partij II] een bestelling plaatst en de maximale overeengekomen jaartonnage van 4.200 ton nog niet is overschreden. Dit is door [partij II] gesteld en door [partij I] niet weersproken. </para>
        <para>Mocht het onverhoopt voorkomen dat ondanks de gemiddelde productie van 139 ton kalkkorrels per week op de locatie [locatie 2] [partij I] de door [partij II] gevraagde hoeveelheid kalkkorrels van de locatie [locatie 2] op het moment van de bestelling niet ter beschikking heeft, dan betekent dat niet dat zij niet aan de wekelijkse vraag van [partij II] kan voldoen. Immers, zoals [partij II] ook ter zitting heeft gesteld en [partij I] niet (gemotiveerd) heeft weersproken, hebben partijen niet afgesproken dat [partij I] direct na het plaatsen van een bestelling door [partij II] moet leveren, maar dat partijen na een door [partij II] geplaatste bestelling in overleg treden over de datum waarop [partij I] de gevraagde hoeveel kalkkorrels voor [partij II] op de locatie klaarzet zodat [partij II] die hoeveelheid vervolgens kan komen ophalen zoals partijen gewoon waren en zijn te doen.</para>
        <para>Voorts is van belang dat in het vonnis in kort geding van 18 december 2020 reeds is geoordeeld dat [partij I] [partij II] ten aanzien van een derde partij voorrang dient te geven. Dat [partij I] met deze derde transportafspraken heeft gemaakt waardoor deze derde alleen van de locatie [locatie 2] kalkkorrels afneemt, is een omstandigheid die [partij I] niet op [partij II] kan afwentelen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Moet [partij II] de aangeboden kalkkorrels van locatie [locatie 1] afnemen? Nee, tenzij zij daar om gevraagd heeft.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter volgt [partij I] ook niet in haar standpunt dat zij mag kiezen vanaf welke locatie de gevraagde kalkkorrels geleverd worden. Dit volgt noch uit de tussen partijen gesloten overeenkomst noch uit het vonnis in kort geding van 18 december 2020. Uit de overeenkomst volgt ook niet dat [partij II] verplicht is om (ook) van de locatie [locatie 1] af te nemen. Zij kán dat doen. In de overeenkomst tussen partijen staat: “<emphasis role="bold italic">Levering</emphasis><emphasis role="italic">: afgehaald locatie [locatie 2] </emphasis><emphasis role="underline italic">of</emphasis><emphasis role="italic"> [locatie 1]</emphasis>” (onderstreping door de voorzieningenrechter). Hieruit volgt dat de kalkkorrels uit één van de twee locaties mogen komen; daarmee is niet gezegd dat [partij I] ongevraagd de kalkkorrels van beide locaties kan aanbieden en ook niet dat [partij II] vervolgens de kalkkorrels van de “nietgevraagde” locatie moet afnemen. Het tegendeel blijkt bovendien uit de onweersproken stelling van [partij II] dat [partij I] vóór 1 januari 2021 altijd na een door [partij II] bij de locatie [locatie 2] geplaatste bestelling alleen vanuit die locatie heeft geleverd en dat [partij II] nimmer een bestelling vanaf de locatie [locatie 1] heeft geplaatst. Ook niet na 1 januari 2021.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van [partij I] om [partij II] te gebieden de aangeboden kalkkorrels van de locatie [locatie 1] af te nemen, wordt afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Levering aan [onderneming 2]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>
        [partij I] vordert dat [partij II] wordt geboden om de kalkkorrels uitsluitend aan [onderneming 2] te leveren. Volgens [partij I] vloeit dit voort uit de overeenkomst tussen partijen. [partij II] heeft dit betwist.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <parablock>
        <para>De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het is juist dat in de eerste versie van de overeenkomst, die door [partij I] was opgesteld en op 4 februari 2020 naar<?linebreak?>[partij II] is gemaild, onder het kopje “Algemene Voorwaarden” stond dat [partij II] de kalkkorrels zal gebruiken om aan de eindafnemer [onderneming 2] te beleveren, maar die bepaling komt niet terug in de aangepaste versie van de overeenkomst die [partij II] op 24 februari 2020 naar [partij I] heeft gemaild en waarvan de voorzieningenrechter in het vonnis in kort geding van 18 december 2020 reeds heeft vastgesteld dat die op 24 februari 2020 gemailde versie van de overeenkomst de overeenkomst is die tussen partijen tot stand is gekomen en thans geldt. Gelet hierop kan [partij I] dan ook niet worden gevolgd in haar stelling dat op [partij II] de verplichting rust om de van [partij I] afgenomen kalkkorrels uitsluitend aan [onderneming 2] te leveren. </para>
        <para>Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. [partij II] heeft gesteld dat de overeengekomen verhoging van de hoeveelheid tot 4.200 ton per jaar te maken had met een eventuele levering aan [onderneming 3] naast [onderneming 2] , als de deal zou doorgaan. Dit is door [partij I] niet betwist. Hieruit maakt de voorzieningenrechter op dat [partij I] wist dat [partij II] de kalkkorrels niet uitsluitend aan [onderneming 2] zou leveren. Dit doet afbreuk aan de stelling van [partij I] dat tussen partijen een afspraak zou bestaan dat [partij II] de van [partij I] afgenomen kalkkorrels uitsluitend aan [onderneming 2] mocht leveren.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>Gezien het voorgaande wordt de vordering om [partij II] te gebieden om uitsluitend aan [onderneming 2] te leveren afgewezen. Datzelfde lot treft ook de gevorderde overlegging van de getekende leveringsdocumenten aan [onderneming 2] . Een grondslag daarvoor ontbreekt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Moet [partij II] de executie van het vonnis in kort geding van 18 december 2020 staken danwel een bankgarantie stellen? Nee</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>
        [partij I] vordert dat het [partij II] wordt verboden om het vonnis in kort geding van 18 december 2020 vóór 31 december 2021 te executeren danwel de executie te schorsen totdat in het hoger beroep definitief is beslist danwel te bepalen dat [partij II] alleen mag executeren tegen zekerheidstelling. Aan haar vordering legt zij ten grondslag dat zij veroordeeld is tot levering van minimaal 2.600 ton kalkkorrels per jaar, zodat pas na ommekomst van een jaar kan worden beoordeeld of zij dwangsom moet betalen. Volgens [partij II] zijn de dwangsommen al verbeurd. [partij I] heeft volgens [partij II] 10 van de 24 bestellingen tot levering van kalkkorrels uit de locatie [locatie 2] geweigerd. Dit betekent dat zij de maximale dwangsom van (10 x € 25.000,00) € 250.000,00 al is verbeurd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <para>In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant  mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <para>
        [partij I] heeft niets gesteld over één van de hiervoor genoemde omstandigheden. Dit betekent dat alleen hierom al haar vordering niet kan worden toegewezen. Daar komt bij dat het verweer van [partij II] slaagt dat de dwangsommen al zijn volgelopen. [partij I] is in het vonnis in kort geding van 18 december 2020 veroordeeld tot betaling van een dwangsom voor <emphasis role="underline">iedere keer</emphasis> dat zij niet voldoet aan de veroordeling onder 3.1. van dat vonnis. Onderdeel van de veroordeling onder 3.1. is ‘<emphasis role="italic">het op afspraken leveren van calacietkorrels uit GMP+ gecertificeerde bronnen van [onderneming 1]</emphasis>’. Door meermalen te weigeren om de gevraagde hoeveelheid kalkkorrels uit de locatie [locatie 2] te leveren, heeft zij zich niet gehouden aan de veroordeling in het vonnis. Als onvoldoende weersproken is komen vast te staan dat [partij I] tenminste tien keer een bestelling voor kalkkorrels van de locatie [locatie 2] heeft geweigerd. Dit betekent dat zij de maximum van € 250.000,00 aan dwangsommen is verbeurd. Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering tot het verbieden van executie en/of de schorsing daarvan wordt afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15.</nr>
      <para>Ook de gevorderde zekerheidstelling komt niet voor toewijzing in aanmerking. De voorzieningenrechter is het met [partij II] eens dat het door [partij I] gestelde restitutierisico van ten onrechte verbeurde dwangsommen niet onder de zekerheidstelling van artikel 233, derde lid, van het Burgerlijke Wetboek van Rechtsvordering valt. De dwangsommen dienen immers niet ter uitvoering van het vonnis in kort geding van 18 december 2020 door [partij I] , maar zijn verbeurd wegens het door [partij I] niet voldoen aan het vonnis. Dit gestelde restitutierisico blijft dan ook voor rekening en risico van [partij I] .<footnote-ref linkend="_3394dbd0-f94e-4fbc-87f0-134ee36c1e73" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16.</nr>
      <para>
        [partij I] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [partij II] worden begroot op:</para>
      <para>- griffierecht	€	667,00</para>
      <para>- salaris gemachtigde	€ <emphasis role="underline">	1.016,00</emphasis>	(1 punt x tarief € 1.016,00)</para>
      <para>Totaal	€	1.683,00</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">In reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17.</nr>
      <para>In reconventie vordert [partij II] verhoging van de in het vonnis in kort geding van 18 december 2020 opgelegde dwangsom. [partij II] stelt dat [partij I] vanaf 1 januari 2021 al ten minste tien keer heeft geweigerd vanaf de locatie [locatie 2] te leveren en blijft weigeren. De opgelegde dwangsommen zijn kennelijk niet een voldoende prikkel. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.18.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter stelt voorop dat [partij I] uitvoering dient te geven aan de veroordelingen neergelegd in het vonnis in kort geding van 18 december 2020. Voor een nieuwe beoordeling van het hieraan ten grondslag liggende geschil is geen plaats. Verder is in de jurisprudentie aanvaard dat de mogelijkheid tot verhoging van een opgelegde dwangsom open staat in geval van gewijzigde omstandigheden, waaronder mede wordt verstaan het feit dat inmiddels is gebleken dat de eerder opgelegde dwangsom een onvoldoende prikkel heeft gevormd voor nakoming. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet deze situatie zich hier voor.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.19.</nr>
      <para>In deze procedure is voldoende vast komen te staan dat [partij I] niet heeft voldaan aan de veroordeling bij het vonnis in kort geding van 18 december 2020, waardoor de maximum van € 250.000,00 nu al is bereikt, terwijl [partij II] er belang bij heeft dat [partij I] nog tot 1 februari 2022 de tussen partij geldende overeenkomst nakomt. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de dwangsom te verhogen op de wijze zoals in de beslissing hierna is vermeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.20.</nr>
      <para>
        [partij I] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [partij II] worden begroot op € 508,00 (factor 0,5 x tarief € 1.016,00).</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in conventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>veroordeelt [partij I] in de proceskosten, aan de zijde van [partij II] tot op heden begroot op € 1.683,00,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>verstaat dat het maximum van € 250.000,00 aan verbeurde dwangsommen ter zake de veroordeling zoals opgelegd aan [partij I] bij vonnis in kort geding van 18 december 2020 reeds is bereikt,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>veroordeelt [partij I] om aan [partij II] een dwangsom te betalen van € 25.000,00 voor iedere keer dat zij na betekening van dit vonnis niet aan de in 3.1 van het vonnis in kort geding van 18 december 2020 uitgesproken veroordeling voldoet, totdat aldus <emphasis role="bold">opnieuw</emphasis> door haar € 250.000,00 aan dwangsommen zijn verbeurd ofwel verhoogt het maximum aan te verbeuren dwangsommen tot € 500.000,00,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>veroordeelt [partij I] in de proceskosten, aan de zijde van [partij II] tot op heden begroot op € 508,00,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de veroordeling onder 4.5. en de kostenveroordeling onder 4.6. uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en is door mr. J.W. Langeler in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2021.<footnote-ref linkend="_bc5e0628-3027-4875-be12-8adce1678ae5" /></para>
        <para>* Ivm de herleidbaarheid naar natuurlijke personen is de afbeelding bij 2.5 verwijderd.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_3394dbd0-f94e-4fbc-87f0-134ee36c1e73" label="1">
    <para>Zie het arrest van het Hof Den Haag van 16 januari 2018 ECLI:NL:GHDHA:2018:18.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bc5e0628-3027-4875-be12-8adce1678ae5" label="2">
    <para>type: AS/4879</para>
    <para>coll: MR/972</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>