<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2021:2869</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-20T15:10:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 20/2529</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:2869">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:2869</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-04T09:16:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2021:2869 Rechtbank Midden-Nederland , 16-06-2021 / UTR 20/2529</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2021:2869:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Mondelinge uitspraak  - Pw - brief eiser ten onrechte niet aangemerkt als verzoek om herziening - daarom bezwaar ten onrechte NO verklaard - beroep gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2021:2869:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 20/2529</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2021 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: P. Boogaard).<?linebreak?></para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 17 april 2018 (primair besluit I) heeft verweerder eiser ontheffing verleend van de arbeidsverplichting op grond van de Participatiewet met ingang van 1 april 2018 tot aan het moment dat eiser de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 24 juli 2018 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 25 februari 2020 (primair besluit II) heeft verweerder aan eiser een bedrag € 127,- toegekend uit het Minimafonds Soest. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 3 april 2020 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen primair besluit I en primair besluit II. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 22 mei 2020 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten niet-ontvankelijk verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2021 via Skype-verbinding. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het bestreden besluit II voor zover dit ziet op de niet-ontvankelijkheidverklaring van het bezwaar gericht tegen primair besluit I;</para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- </emphasis>draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog op het herzieningsverzoek van eiser gericht tegen primair besluit I te beslissen; </para>
    <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiser te vergoeden;</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser ter zitting zijn beroep voor zover dat gericht is tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaar tegen primair besluit II heeft ingetrokken.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank ziet zich daarom alleen voor de vraag gesteld of verweerder het bezwaar van eiser gericht tegen primair besluit I niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank stelt vast dat verweerder met inachtneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie het bezwaar van eiser tegen primair besluit I niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder heeft in dit kader overwogen dat eiser in 2018 in beroep had moeten gaan van het bestreden besluit I. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank overweegt dat een bestuursorgaan de geschriften van een burger naar hun juridische strekking dient te duiden.<footnote-ref linkend="_10c3639c-3652-4edc-93ef-e81c2c5da53b" /> In de gegeven omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder de brief van eiser van 3 april 2020 voor zover die gericht is tegen primair besluit I had moeten kwalificeren als een verzoek om herziening van dit besluit. </para>
    <para />
    <para>6. Hieruit volgt dat het bestreden besluit II in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), berust op een onjuiste kwalificatie van de brief van eiser van 3 april 2020, zodat dit besluit voor zover het ziet op de niet-ontvankelijkheidverklaring van het bezwaar gericht tegen primair besluit I dient te worden vernietigd.</para>
    <para />
    <para>7. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit II voor zover dit ziet op de niet-ontvankelijkheidverklaring van het bezwaar gericht tegen primair besluit I. Verweerder dient de brief van eiser van 3 april 2020 voor zover deze gericht is tegen primair besluit I aanmerken als herzieningsverzoek en alsnog op dit verzoek te beslissen.</para>
    <para />
    <para>8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem  betaalde griffierecht vergoedt. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.</para>
    <para />
    <para>9. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2021 door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van L.S. Lodder, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
  </section>
  <footnote id="_10c3639c-3652-4edc-93ef-e81c2c5da53b" label="1">
    <para> Zie in dit kader onder andere de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1049.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>