<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2021:2441</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-11T14:51:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-04-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 20/2651</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:2441">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:2441</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-25T11:02:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2021:2441 Rechtbank Midden-Nederland , 23-04-2021 / UTR 20/2651</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2021:2441:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Parkeerbelasting, defecte parkeerautomaat, gelijkheidsbeginsel, beroep ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2021:2441:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 20/2651</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2021 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats] , eiser,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten &amp; hoogheemraadschap Utrecht</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. W.G. Vos).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 11 maart 2020 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 68,77.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de uitspraak op bezwaar van 7 juli 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2021, via een beeld- en geluidverbinding (Skype). Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 11 maart 2020 omstreeks 13:04 uur constateerde een parkeercontroleur dat de auto van eiser, met kenteken [kenteken] , in de [locatie 1] te [plaats] geparkeerd stond, zonder dat er parkeerbelasting was betaald.  </para>
    <para />
    <para>2. Eiser is het niet eens met de naheffing omdat hij geen parkeerbelasting kon betalen omdat de parkeerautomaat in de [locatie 1] niet werkte. Later heeft eiser vernomen dat er op het moment waarop hij wilde betalen een landelijke pinstoring gaande was. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een afschrift van een internetpagina ingediend, waarop staat dat er op 11 maart 2020 vanaf 11:38 uur een pinstoring was. Eiser voert verder aan dat hij heeft gekeken bij andere parkeerautomaten, maar daar kon hij ook niet betalen. Een collega van eiser stond verderop geparkeerd en die kon ook niet betalen. Eiser voert vervolgens aan dat hij ter plaatse was om een rechtszaak bij te wonen en dat hij met enige spoed naar binnen moest, omdat hij wat aan de late kant was. Eiser was verder niet bekend in de omgeving en was blij dat hij een parkeerplaats had gevonden. </para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht de naheffingsaanslag parkeerbelasting aan eiser heeft opgelegd. Tussen partijen is weliswaar niet in geschil dat eiser geen parkeerbelasting kon betalen bij de parkeerautomaat in de [locatie 1] , maar verweerder heeft  terecht gesteld dat het de verantwoordelijkheid van eiser was om de parkeerbelasting op een andere manier te voldoen, bijvoorbeeld door betaling bij een andere parkeerautomaat.<footnote-ref linkend="_30013e2a-8b2c-423f-b6e7-37673d69e308" /> Dat andere parkeerautomaten in de omgeving ook niet werkten door een landelijke pinstoring, is niet gebleken. Uit de door verweerder ingediende transactiegegevens van de aankopen bij de twee dichtstbijzijnde parkeerautomaten ( [locatie 2] en [locatie 3] ) blijkt namelijk dat er ook (zeer) dicht rond het tijdstip van parkeren van eiser met succes pinbetalingen zijn verricht. Dat eiser niet bij deze automaten is gaan kijken, komt voor zijn rekening. De omstandigheid dat eiser enige haast had, ontslaat hem niet van zijn verplichting om voor betaling van de parkeerbelasting te zorgen. </para>
    <para />
    <para>4. Eiser voert verder aan dat verweerder het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Een collega van hem heeft ook zijn auto geparkeerd bij een defecte parkeerautomaat, maar hij heeft geen boete gehad, dan wel zijn bezwaar tegen de naheffingsaanslag is gegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond niet slaagt. Voor een succesvol beroep op het gelijkheidsbeginsel is namelijk allereerst vereist dat eiser aannemelijk maakt dat verweerder ten nadele van hem gelijke gevallen ongelijk heeft behandeld. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zijn collega ook is gecontroleerd door de parkeercontroleur. Alleen al daarom heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen. </para>
    <para />
    <para>6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier. De beslissing is uitgesproken en bekendgemaakt op 23 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">de rechter is verhinderd de</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">						uitspraak te ondertekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_30013e2a-8b2c-423f-b6e7-37673d69e308" label="1">
    <para> Zie het arrest van de Hoge Raad van 22 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3177. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>