<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2021:2401</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-07T14:59:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-05-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/3975 en 21/324</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:2401">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:2401</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-07T14:57:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2021:2401 Rechtbank Midden-Nederland , 18-05-2021 / 20/3975 en 21/324</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2021:2401:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bijstand. Beroep niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk. Verzoek ontheffing arbeidsverplichtingen. Procesbelang. Beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2021:2401:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: UTR 20/3975 en UTR 21/324</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2021 in de zaken tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. F. Boukich),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: W. van Beveren ).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 3 september 2020 heeft eiseres verweerder ingebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 20 februari 2020 met het verzoek tot ontheffing van de sollicitatieplicht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 9 september 2020 (het primaire besluit I) heeft verweerder beslist dat eiseres niet hoeft de solliciteren of werk hoeft te accepteren tot 13 april 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 11 september (het primaire besluit II) heeft verweerder beslist dat geen dwangsom is verschuldigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft hiertegen bezwaar ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 3 november 2020 heeft eiseres een beroep ingesteld omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op de aanvraag.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 4 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2021, tezamen met UTR 20/3574, UTR 20/3149, UTR 20/3728 en UTR 20/3591. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres heeft twee kinderen die zijn geboren op [geboortedatum 1] 2014 en [geboortedatum 2] 2020. </para>
    <bridgehead role="underline italic">Beroep niet-tijdig beslissen UTR 20/3975</bridgehead>
    <para />
    <para>2. Eiseres heeft verweerder op 3 september 2020 ingebreke gesteld omdat niet tijdig is beslist op de aanvraag van 20 februari 2020 die ziet op ontheffing van de sollicitatieplicht voor de duur van vijf jaar. Op 3 november 2020 heeft eiseres een beroep niet tijdig beslissen ingediend omdat verweerder nog steeds niet heeft beslist op de aanvraag. Volgens eiseres is verweerder daarom een dwangsom verschuldigd.</para>
    <para />
    <para>3. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat met het besluit van <?linebreak?>9 september 2020 tijdig is beslist op de aanvraag van eiseres. Volgens verweerder is daarom geen dwangsom verschuldigd.    </para>
    <para />
    <para>4. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar.</para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank stelt vast dat eiseres bij brief van 20 februari 2020 heeft verzocht om ontheffing van de sollicitatieplicht in verband met de zorg voor de nog jonge minderjarige kinderen. Uit de stukken blijkt dat verweerder deze aanvraag heeft opgevat als een verzoek tot tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen in verband met de bevalling van eiseres. </para>
    <para />
    <para>6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit verzoek terecht opgevat als een verzoek tot tijdelijke ontheffing omdat eiseres ten tijde van het verzoek nog werkzaam was bij [bedrijf] . Eiseres heeft in haar verzoek geen beroep gedaan op artikel 9a van de Participatiewet. Met het besluit van 9 september 2020 heeft verweerder dus binnen twee weken na de ingebrekestelling van 3 september 2020 een besluit genomen op de aanvraag. Verweerder was daarom geen dwangsom verschuldigd. Het beroep niet-tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Beroep inhoudelijk UTR 20/3975</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de rechtbank van oordeel dat het beroep van eiseres mede betrekking heeft op het bestreden besluit.</para>
    <para />
    <para>8. Niet in geschil is dat eiseres in januari 2021 is ontheven van de arbeidsverplichtingen tot en met 20 januari 2025 in verband met de zorg voor haar jongste kind. Ter zitting heeft eiseres erkend dat er geen materieel belang bestaat bij de beoordeling van het beroep. </para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank is van oordeel dat geen procesbelang kan worden ontleend aan de door eiseres verzochte vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank wijst hierbij op een uitspraak van de CRvB van 21 juli 2009<footnote-ref linkend="_d908da5f-a028-4d94-bdbe-902365b036e2" />. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Beroep UTR 21/324</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Omdat de rechtbank hiervoor inhoudelijk heeft geoordeeld over het bestreden besluit heeft eiseres geen belang meer bij een beoordeling van dit beroep dat eveneens is gericht tegen het bestreden besluit. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep UTR 20/3975 niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep UTR 20/3975 tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep UTR 21/324 niet-ontvankelijk.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr. M. van Ettikhoven, griffier. De beslissing is uitgesproken op 18 mei 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(de rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen) </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_d908da5f-a028-4d94-bdbe-902365b036e2" label="1">
    <para> ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3666.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>