<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2021:2355</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-01T08:39:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/16/510019 / HA ZA 20-646</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:2355">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:2355</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-01T08:38:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2021:2355 Rechtbank Midden-Nederland , 09-06-2021 / C/16/510019 / HA ZA 20-646</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2021:2355:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Gedaagde heeft non-concurrentiebeding niet overtreden. Vordering tot betaling van overeengekomen boete wordt afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2021:2355:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="0d5f27de-2799-4147-ab43-3be810d56cac" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="41cb46af-ee08-493c-b6ad-46be9987ed91" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>handelskamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/16/510019 / HA ZA 20-646</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 9 juni 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres] B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>advocaat mr. F. Rientsma,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat mr. M.C.G.M. van den Heuvel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding met producties 1 tot en met 10</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte overlegging producties 11 en 12 van [eiseres]</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte aanvullende productie 8 van [gedaagde] .</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 29 april 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten tijdens deze mondelinge behandeling toegelicht, waarbij [eiseres] spreekaantekeningen heeft gebruikt. Partijen hebben afgesproken dat zij zouden proberen om een regeling te treffen. Op 6 mei 2021 heeft [eiseres] de rechtbank bericht dat dit niet is gelukt en haar verzocht om vonnis te wijzen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Op 18 december 2018 heeft [eiseres] de aandelen in de vennootschappen [bedrijfsnaam 1] B.V., [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V. gekocht van [bedrijfsnaam 4] B.V. [gedaagde] was (voorheen, zo begrijpt de rechtbank) medeaandeelhouder van [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) en hij was daar ten tijde van de verkoop operationeel directeur. Hij heeft de koopovereenkomst medeondertekend. Dat had te maken met de volgende daarin opgenomen bepaling: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>13.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">de heer [gedaagde] verbindt zich voor zich ten behoeve van Koper</emphasis> ( [eiseres] , toevoeging rechtbank)<emphasis role="italic"> en de Vennootschappen</emphasis> ( [bedrijfsnaam 1] B.V., [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V., toevoeging rechtbank)<emphasis role="italic"> om zich gedurende een periode van twee (2) jaar na de Transactiedatum zonder schriftelijke toestemming van Koper niet, direct of indirect, voor eigen rekening, of in dienst van, of anderszins voor rekening van een of meerdere derden, in Nederland, de volgende activiteiten te verrichten:</emphasis></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(c) het in dienst nemen van werknemers van de Vennootschappen (…), waaronder begrepen dient te worden werknemers die in de periode van twee (2) jaar voor de Transactiedatum werkzaam zijn geweest voor de Vennootschappen, behoudens voor zover die personen dit uit eigen beweging gedaan hebben, doen of uit eigen beweging bij de betreffende Vennootschap uit dienst zijn gegaan om elders hun carrière verder te zetten. Het is nadrukkelijk niet toegestaan die personen te benaderen teneinde hen te bewegen de arbeidsovereenkomst te beëindigen. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">14. BOETE</emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>14.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bij overtreding van het bepaalde in de Artikel 12.1 en/of 13 zal de betreffende Partij jegens de andere Partijen een onmiddellijke opeisbare boete verbeuren van EUR 50.000 (zegge: vijftig duizend euro) per overtreding en EUR 10.000 (zegge: tienduizend euro) voor iedere dag waarop een overtreding eventueel voortduurt, onverminderd de overige rechten van de andere Partijen krachtens de Wet- en Regelgeving of de Overeenkomst, zoals onder meer het recht van de andere Partijen om nakoming van de Overeenkomst, dan wel een verbod en/of schadevergoeding te vorderen. </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft zijn werkzaamheden voor [bedrijfsnaam 1] per 1 september 2019 beëindigd. In februari 2020 heeft hij een vennootschap opgericht met de naam [bedrijfsnaam 5] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 5] ). Deze vennootschap verricht, net als [bedrijfsnaam 1] , arbodiensten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] gehandeld in strijd met het verbod van artikel 13.2. sub c. van de koopovereenkomst en is hij de overeengekomen boete verschuldigd (en subsidiair schadevergoeding). Zij vordert daarom dat [gedaagde] wordt veroordeeld om </para>
        <para>€ 50.000,- aan haar te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het vonnis en de proceskosten. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert verweer en meent dat de vordering moet worden afgewezen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De rechtbank zal de vordering afwijzen. Op grond van wat [eiseres] heeft aangevoerd, kan namelijk niet worden vastgesteld dat [gedaagde] het in artikel 13.2. sub c genoemde verbod heeft overtreden. [gedaagde] is daarom geen boete of schadevergoeding aan haar verschuldigd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] in de periode waarin het beding gold, namelijk tussen 18 december 2018 (in de overeenkomst aangeduid als “de Transactiedatum”) en 18 december 2020, drie medewerkers van [bedrijfsnaam 2] B.V. bewogen om naar zijn vennootschap [bedrijfsnaam 5] over te stappen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft er echter op gewezen dat twee van de drie medewerkers (namelijk de heer [A] en mevrouw [B] ) niet bij [bedrijfsnaam 5] in dienst zijn getreden. Zij zijn, net als [gedaagde] , aandeelhouder en bestuurder van deze vennootschap geworden. Volgens [gedaagde] is [bedrijfsnaam 5] ontstaan uit een gelijkwaardige samenwerking tussen deze personen en hem. [eiseres] heeft dit niet betwist. Alleen al hierom heeft [gedaagde] wat betreft deze twee medewerkers het verbod niet overtreden; het is hem immers slechts verboden om een werknemer van de vennootschappen in dienst te nemen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Vast staat dat de andere medewerker (mevrouw [C] ) wel in dienst is getreden van [bedrijfsnaam 5] . Volgens [gedaagde] heeft hij haar daarvoor echter niet benaderd en heeft zij zelf contact met hem opgenomen omdat zij op zoek was naar een functie elders. [gedaagde] heeft een schriftelijke verklaring van deze werkneemster overgelegd, waaruit dit blijkt. Hierin valt namelijk onder meer te lezen: <emphasis role="italic">“(…) Ik heb uiteindelijk gekozen om in loondienst verder te gaan, bij een bedrijf waarvan de waarden aansluiten bij mijn eigen waarde. Ik heb daarvoor dhr. [gedaagde] gebeld op 31 januari 2020 in de avond. Dhr. [gedaagde] heeft mij niet bewogen om [.] te verlaten dus. Hij heeft op mijn verzoek toelichting gegeven over [bedrijfsnaam 5] , nadat ik via een ander kanaal (het artsenoverleg van [.] in januari, onder andere via [D (voornaam)] ) had gehoord van het bestaan. (…)”</emphasis>. [eiseres] heeft hier niets tegenover gesteld. Haar stelling dat [gedaagde] deze medewerkster heeft benaderd om haar arbeidsovereenkomst met de vennootschappen te beëindigen om bij hem in dienst te treden, heeft zij dus niet onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] nog betoogd dat de bepaling van artikel 13.2. sub c zó moet worden gelezen dat (een vennootschap van) [gedaagde] alleen een werknemer van de vennootschappen in dienst mag nemen als deze werknemer eerst ergens anders heeft gewerkt. Volgens haar blijkt dat uit de bewoordingen <emphasis role="italic">“om elders hun carrière voort te zetten”</emphasis> in de zin <emphasis role="italic">“behoudens voor zover die personen dit uit eigen beweging gedaan hebben, doen of uit eigen beweging bij de betreffende Vennootschap uit dienst zijn gegaan om elders hun carrière voort te zetten”. </emphasis>Deze taalkundige uitleg van dit artikel is echter onbegrijpelijk. Dat (beide) partijen dit desondanks zo hebben bedoeld, heeft [eiseres] niet onderbouwd. De rechtbank concludeert dan ook dat [gedaagde] ook ten aanzien van deze medewerkster het verbod niet heeft overtreden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft in de dagvaarding aangevoerd en tijdens de mondelinge behandeling benadrukt dat [gedaagde] al voor ondertekening van de koopovereenkomst van plan was om nadat hij zijn werkzaamheden voor [bedrijfsnaam 1] zou hebben beëindigd, met voormalige werknemers van de (zoals in de koopovereenkomst gedefinieerd) Vennootschappen te gaan werken. Volgens haar heeft hij daarom op de dag van ondertekening een wijziging in de tekst van artikel 13 lid 2 sub c van de koopovereenkomst voorgesteld, in die zin dat hij daaraan de al eerder aangehaalde zin <emphasis role="italic">“behoudens voor zover die personen dit uit eigen beweging gedaan hebben, doen of uit eigen beweging bij de betreffende Vennootschap uit dienst zijn gegaan om elders hun carrière verder te zetten”</emphasis> heeft toegevoegd. Welk rechtsgevolg [eiseres] hieraan verbindt, is de rechtbank niet duidelijk. Vast staat bovendien dat [eiseres] met deze wijziging heeft ingestemd en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij wist wat zij ondertekende. Ten overvloede: tijdens deze mondelinge behandeling heeft [gedaagde] onweersproken verklaard dat hij de toegevoegde tekst niet zelf had bedacht. De overeenkomst was opgesteld door adviseurs van [eiseres] en deze tekst was al opgenomen in artikel 13 lid 1, dat gaat over het verbod voor de andere (voormalige) aandeelhouders. [gedaagde] heeft slechts voorgesteld om hierbij aan te sluiten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Omdat de vordering zal worden afgewezen, zal [eiseres] de proceskosten van [gedaagde] moeten vergoeden. Deze worden begroot op: </para>
      <para>- griffierecht	€	937,00</para>
      <para>- salaris advocaat	<emphasis role="underline">€	2.228,00</emphasis>+	(2 punten × tarief IV € 1.114,00)</para>
      <para>Totaal	€ 	3.165,00</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot vandaag aan de kant van [gedaagde] begroot op € 3.165,00.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2021.<footnote-ref linkend="_a7d69d2b-ba4b-4426-9c9e-dc8f273dd1b3" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_a7d69d2b-ba4b-4426-9c9e-dc8f273dd1b3" label="1">
    <para>type: AH (4105)</para>
    <para>coll: JO (4972)</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>