<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2021:1952</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-08-30T13:50:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-05-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-04-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 20/4279</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:1952">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:1952</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-08-30T13:49:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-08-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2021:1952 Rechtbank Midden-Nederland , 15-04-2021 / UTR 20/4279</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2021:1952:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>NOW2.0. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2021:1952:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 20/4279</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2021 in de zaak tussen</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres</title>
    <para>(gemachtigde: [gemachtigde 1])</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, </title>
    <parablock>
      <para>namens deze de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.</para>
      <para>(gemachtigde: [gemachtigde 2]).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. Als gevolg van de coronamaatregelen heeft eiseres op 17 augustus 2020 bij verweerder</para>
    <para>een aanvraag gedaan voor een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW2.0) voor het loonheffingsnummer [loonheffingsnummer] .</para>
    <para />
    <para>2. Met het primaire besluit van 2 september 2020 (het primaire besluit) is aan eiseres een</para>
    <para>voorschot op een tegemoetkoming in de loonkosten toegekend. Eiseres krijgt een tegemoetkoming van € 58.018,-. Daarvan betaalt verweerder een voorschot van € 46.416,-.</para>
    <para />
    <para>3. Met het besluit van  21 oktober 2020 (het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond</para>
    <para>verklaard. Het voorschot wordt daarom niet aangepast.</para>
    <para />
    <para>4. Eiseres heeft tegen dit besluit op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een</para>
    <para>verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>5. Het onderzoek op de zitting heeft via Skype plaatsgevonden op 10 maart 2021. Eiseres</para>
    <para>was aanwezig en heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder was aanwezig en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het geschil</title>
    <para />
    <para>6. In geschil is of verweerder de mutaties die eiseres </para>
    <para>na de peildatum van 15 mei 2020 heeft uitgevoerd terecht niet heeft meegenomen bij de berekening van de loonsom van het aangiftetijdvak maart 2020.</para>
    <para />
    <para>7. Het gaat in deze zaak om de hoogte van het voorschot voor loonkostensubsidie op</para>
    <para>grond van de NOW2.0. Dit betreft de subsidieverlening. Het gaat in deze procedure dus niet over de subsidievaststelling. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beoordelingskader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>8. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. </para>
    <para>De aanvraagperiode voor de NOW2.0 is van juni tot en met september 2020. Uit artikel 8, tweede lid, van de NOW2.0 volgt dat voor de berekening van de hoogte van het bedrag van de subsidieverlening wordt uitgegaan van het loon over het derde aangiftetijdvak van 2020, in dit geval de maand maart. Op grond van artikel 8, zevende lid, van de NOW2.0 worden de gegevens uit de loonaangifte van de werkgever beoordeeld op grond van de loonaangifte zoals die uiterlijk op 15 mei 2020 is ingediend, alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden. Dit wordt ook wel de peildatum genoemd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Is de hoogte van het voorschot correct vastgesteld?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>9. Eiseres voert aan dat zij al jarenlang in de betreffende maand het basisloon uitbetaald</para>
    <para>en de zeedagentoeslagen over die maand op een later tijdstip. Zij stelt dat de totale loonkosten voor het aangiftetijdvak maart 2020 € 31.864,- bedroegen. De gemaximeerde loonsom is € 127.456,- ( € 31.864,- x 4). Eiseres heeft op 20 mei 2020 de definitieve berekening van de loonaangifte ingediend. Eiseres vindt het buitenproportioneel dat verweerder als gevolg van de peildatum 50% minder loonsom heeft berekend. Eiseres wenst daarom een correctie van de tegemoetkoming van de NOW2.0 naar de daadwerkelijke en volledige loonsom van maart 2020.</para>
    <para />
    <para>10. De rechtbank overweegt als volgt. In de toelichting bij artikel 8, zevende lid, van de</para>
    <para>NOW2.0  staat dat een peildatum nodig is omdat een werkgever de loonaangifte met terugwerkende kracht kan corrigeren door middel van correctieberichten. Voor de vaststelling van de hoogte van het voorschot is het noodzakelijk dat kan worden uitgegaan van de loongegevens zoals deze gelden op een bepaald tijdstip. De toelichting vermeldt verder dat deze datum is vastgesteld op uiterlijk 15 mei 2020, een datum die gelegen is vóór de aankondiging van deze regeling. Werkgevers hebben sindsdien namelijk een financieel belang bij een zo hoog mogelijke loonsom in maart. Ter beperking van fraude- en misbruikrisico’s worden correctieberichten op de loonaangifte van na 15 mei 2020 niet meer meegenomen in de bepaling van de loonsom op grond van dit artikel. Dat betekent dat deze peildatum ook geldt voor werkgevers met een werkwijze van loonbetaling als door eiseres wordt gehanteerd.</para>
    <para />
    <para>11. De rechtbank overweegt dat uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de wetgever met</para>
    <parablock>
      <para>de NOW2.0 niet heeft beoogd om een allesomvattende regeling te bieden om alle bedrijven te redden, noch om maatwerk te bieden. De rechtbank is van oordeel dat keuze voor de peildatum 15 mei 2020 voldoende is onderbouwd. Er is bewust voor gekozen voor een datum die is gelegen voor de aankondiging van de NOW2.0. De rechtbank overweegt dat de NOW2.0 op 25 juni 2020 is op gepubliceerd, maar al eerder door de overheid is aangekondigd. Dit is gebeurd op 20 mei 2020. Ook als zou zijn gekozen voor een peildatum daags voor deze aankondiging, dan had dat eiseres niet kunnen helpen. Uit de stukken en wat op zitting besproken is, is naar voren gekomen dat de aangifte op 20 mei 2020 is gecorrigeerd. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om artikel 8, zevende lid, van de NOW2.0 in strijd met het evenredigheidsbeginsel of enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur of algemeen rechtsbeginsel te achten en om deze bepaling om die reden buiten toepassing te laten. Dit wordt onderschreven door een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van </para>
      <para>28 januari 2021.<footnote-ref linkend="_024fd5ec-00a4-4a84-a5f4-c0ec5f395e26" /> De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Valt eiseres onder het buitenwettelijk begunstigend beleid?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>12. De rechtbank overweegt dat verweerder ter zake van de peildatum 15 mei 2020 een</para>
    <parablock>
      <para>buitenwettelijk begunstigend beleid voert, waarbij in incidentele gevallen bij de subsidieverlening wordt afgeweken van de peildatum 15 mei 2020. Dit betreft gevallen waarbij de aanvrager wegens een calamiteit buiten staat was om uiterlijk op 15 mei 2020 een loonaangifte over de maand maart 2020 te doen en gevallen waarbij de Belastingdienst de aanvrager uitstel heeft verleend voor het doen van de loonaangifte over maart 2020 tot ná </para>
      <para>15 mei 2020. Beide situaties doen zich in deze zaak niet voor. Daarom was er voor verweerder ook om die reden geen aanleiding om in het geval van eiseres af te wijken van de peildatum 15 mei 2020 en hoefde niet te worden uitgegaan van de gecorrigeerde loonaangifte die eiseres op 20 mei 2020 heeft ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>13. Verweerder heeft het voorschot terecht op € 46.416,- vastgesteld naar de peildatum </para>
    <parablock>
      <para>15 mei 2020. Op die datum waren namelijk de loonkosten in het systeem van de</para>
      <para>Belastingdienst bekend. Bij eiseres is geen sprake van één van de uitzonderingsgevallen die binnen het buitenwettelijk begunstigend beleid vallen om van de peildatum af te wijken. Het beroep is daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.A. Koeman, griffier. De beslissing is uitgesproken op 15 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bijlage </title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 8. Berekening van de hoogte van het bedrag van de subsidieverlening</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De hoogte van de subsidie is de uitkomst van:</para>
    <parablock>
      <para>A x B x 4 x 1,4 x 0,9</para>
      <para>Hierbij staat:</para>
      <para>A voor het percentage van de omzetdaling;</para>
      <para>B voor de loonsom waarbij wordt uitgegaan van de totale loonsom van werknemers waarvoor de werkgever het loon heeft uitbetaald in het tijdvak, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid, met dien verstande dat:</para>
    </parablock>
    <para>a. de uitbetaling van vakantiebijslag in het gehanteerde aangiftetijdvak niet wordt meegenomen bij de vaststelling van de loonsom, met uitzondering van de uitbetaling van vakantiebijslag door de werkgever die geen vakantiebijslag voor de werknemer reserveert, als bedoeld in <emphasis role="underline">artikel 5, derde lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen</emphasis>;</para>
    <para>b. de loonsom wordt vermenigvuldigd met 0,926, indien de werkgever geen vakantiebijslag voor de werknemer reserveert, als bedoeld in <emphasis role="underline">artikel 5, derde lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen</emphasis>;</para>
    <para>c. de loonsom wordt verminderd met een extra periode salaris dat naast het reguliere loon en vakantiebijslag wordt uitbetaald in het tijdvak, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid; en</para>
    <para>d. het in aanmerking te nemen loon per werknemer niet meer bedraagt dan € 9.538 per tijdvak van een maand, berekend na toepassing van de onderdelen a tot en met c.</para>
    <para>2 Voor de loonsom, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van het loon over het derde aangiftetijdvak van het jaar 2020, met dien verstande dat indien er sprake is van een aangiftetijdvak van vier weken, de loonsom in dat aangiftetijdvak wordt verhoogd met 8,33 procent.</para>
    <para>3 Indien er geen loongegevens zijn over het tijdvak, bedoeld in het tweede lid, wordt uitgegaan van het loon over de maand november van het jaar 2019. Indien er sprake is van een aangiftetijdvak van vier weken, wordt uitgegaan van het loon over het twaalfde aangiftetijdvak van het jaar 2019, waarbij de loonsom in dat aangiftetijdvak wordt verhoogd met 8,33 procent.</para>
    <para>4 Indien er geen sprake is van een aangiftetijdvak van een maand of vier weken, wordt het loon per werknemer herleid naar een loon per aangiftetijdvak van een maand.</para>
    <para>5 Indien de loonsom bedoeld onder de letter C lager is dan viermaal de loonsom als bedoeld in het eerste lid, onder de letter B, wordt de subsidie verlaagd met:</para>
    <parablock>
      <para>(B x 4 – C) x 1,4 x 0,9</para>
      <para>Hierbij staat:</para>
      <para>B voor de loonsom, zoals berekend op grond van het eerste lid tot en met vierde lid;</para>
      <para>C voor de loonsom over de periode 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020, met dien verstande dat het eerste lid tot en met het vierde lid van overeenkomstige toepassing is, waarbij de gehanteerde aangiftetijdvakken het zesde tot en met het negende aangiftetijdvak van het jaar 2020 zijn.</para>
    </parablock>
    <para>6 Indien er sprake is van een werkgever die per vier weken aangifte doet voor de loonheffingen, wordt de loonsom, bedoeld in het vijfde lid, onder de letter C, verhoogd met 8,33 procent. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.</para>
    <para>7 De in aanmerking te nemen gegevens uit de loonaangifte van de werkgever ten behoeve van de bepaling van de letter B, bedoeld in het eerste lid, worden beoordeeld op grond van de loonaangifte zoals die uiterlijk op 15 mei 2020 is ingediend, alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden.</para>
    <para>8 De in aanmerking te nemen gegevens uit de loonaangifte van de werkgever ten behoeve van de bepaling van de letter C, bedoeld in het vijfde lid, worden beoordeeld op grond van de loonaangifte zoals die uiterlijk op 16 november 2020 is ingediend, alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden. Indien de loonaangifte na laatstgenoemde datum naar beneden wordt bijgesteld, kan de Minister besluiten de gewijzigde loonaangifte in aanmerking te nemen voor de vaststelling van de loonsom, bedoeld in het vijfde lid, onder de letter C.</para>
    <para>9 Indien de werkgever in de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020 een verzoek om toestemming heeft gedaan om de arbeidsovereenkomst van één of meer werknemers op te zeggen op grond van <emphasis role="underline">artikel 669, derde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek</emphasis>, wordt de subsidie verlaagd met:</para>
    <parablock>
      <para>D x 3 x 1,4 x 0,9</para>
      <para>Hierbij staat D voor het loon dat de werknemers, bedoeld in de eerste zin, hebben ontvangen, berekend overeenkomstig het eerste tot en met het vierde lid.</para>
    </parablock>
    <para>10 Het negende lid is niet van toepassing indien de werkgever het verzoek om toestemming heeft ingetrokken binnen vijf werkdagen nadat het verzoek is ingediend.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_024fd5ec-00a4-4a84-a5f4-c0ec5f395e26" label="1">
    <para> ECLI:NL:CRVB:2021:87.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>