<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2021:1671</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-28T16:32:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-03-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 21/1247</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:1671">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:1671</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-28T11:33:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2021:1671 Rechtbank Midden-Nederland , 31-03-2021 / UTR 21/1247</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2021:1671:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal, intrekking van de erkenning van een orgaanbank door de Minister voor Medische Zorg. Voorlopige voorziening tijdens de bezwaarfase, ordemaatregel.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2021:1671:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 21/1274</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 maart 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Stamcelbank Nederland B.V., gevestigd in Leusden, verzoekster</bridgehead>
    <para>(gemachtigden: mr. J.A. Lisman en mr. P.M. Waszink)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Minister voor Medische Zorg en Sport, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 26 maart 2021 heeft verweerder 1) de erkenning van verzoekster als weefselinstelling ingetrokken met ingang van 1 juli 2021, en 2) deze erkenning van 1 april 2021 tot en met 30 juni 2021 beperkt, in die zin dat het in ontvangst nemen na verkrijgen, het bewerken en het distribueren van stamcellen daarvan geen deel meer uitmaken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Verzoekster is een door verweerder erkende orgaanbank op grond van de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal. Zij zamelt met preparaten van navelstrengbloed stamcellen in van pasgeborenen en slaat deze op. Zij doet dat op verzoek van ouders, ten behoeve van mogelijke toekomstige toepassing. </para>
    <para />
    <para>2. Verweerder legt aan de intrekking van de erkenning ten grondslag dat de afgelopen 10 jaar meerdere inspecties zijn verricht en dat tijdens die bezoeken meerdere tekortkomingen zijn geconstateerd op het gebied van kwaliteit en veiligheid, die niet adequaat werden opgelost. Verzoekster blijkt niet in staat te zijn om de kwaliteit en veiligheid van het bewaarde en bewerkte lichaamsmateriaal voldoende te waarborgen. De intrekking gaat op 1 juli 2021 in, maar om te voorkomen dat stamcellen worden uitgegeven voor toepassing op de mens in of buiten Nederland wordt de erkenning al vanaf 1 april 2021 ingeperkt. Vanaf dan mogen geen nieuwe stamcellen meer worden opgeslagen. Verweerder beoogt dat verzoekster de periode tot aan 1 juli 2021 kan gebruiken om in overleg te treden met haar cliënten over al opgeslagen stamcellen.</para>
    <para />
    <para>3. De zaak is spoedeisend. Als de beperking van de erkenning morgen ingaat, dan is de bedrijfsvoering van verzoekster grotendeels niet meer mogelijk. Verweerder heeft de griffier telefonisch meegedeeld niet bereid te zijn om het besluit op te schorten in afwachting van een inhoudelijke behandeling door de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter doet in het licht hiervan, gelet op de spoedeisendheid, vandaag uitspraak zonder dat er een zitting is geweest.</para>
    <para />
    <para>4. Het belang van verzoekster is dat haar bedrijf niet wordt stilgelegd en dat zij haar contractuele afspraken met ouders en met aanstaande ouders kan blijven nakomen. De voorzieningenrechter vindt het op voorhand aannemelijk dat het besluit grote gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van verzoekster. Daar staat tegenover het belang van verweerder om de kwaliteit en de veiligheid van verzoekster als orgaanbank te garanderen. De voorzieningenrechter betrekt bij zijn oordeel dat de aanloop naar verweerders besluit tot intrekking van de erkenning al is gestart met een conceptrapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd van 30 november 2020 en dat verweerder daarna enige tijd heeft genomen om tot zijn besluit te komen. Deze belangen afwegend ziet de voorzieningenrechter aanleiding om nu een ordemaatregel te treffen, die inhoudt dat de intrekking van de erkenning wordt geschorst.</para>
    <para />
    <para>5. Verweerder zal zich moeten buigen over het bezwaar dat verzoekster heeft gemaakt, maar de behandeling daarvan zal enige tijd vergen. De aard van deze beslissing als ordemaatregel maakt echter dat die niet voor een langere tijd kan voortduren. De voorzieningenrechter vindt het in het licht hiervan noodzakelijk dat het verzoek alsnog ambtshalve op een zitting van de voorzieningenrechter wordt behandeld. Deze zitting zal worden gehouden op vrijdag 9 april 2020, om 11.00 uur in Utrecht. Dan zal worden beoordeeld of er een aanleiding is om de nu getroffen voorziening al dan niet op te heffen. In die procedure wordt ook beslist over de voor het verzoek gemaakte kosten.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter schorst het besluit van 26 maart 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.G. Kamphof, griffier. De beslissing is uitgesproken op 31 maart 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>de griffier is verhinderd om</para>
      <para>de uitspraak te ondertekenen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier							voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>