<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2021:1550</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-08T13:54:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-03-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 20 _ 3673</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:1550">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:1550</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-04T12:03:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2021:1550 Rechtbank Midden-Nederland , 30-03-2021 / AWB - 20 _ 3673</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2021:1550:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>ZW-uitkering</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2021:1550:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 20/3673</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van                           30 maart 2021 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. D.D. Pietersz),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: M. van der Plas).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 9 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat er geen reden is om terug te komen op het besluit van 4 februari 2009.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 18 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden via Skype op 30 maart 2021. Eiseres was daarbij aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:<?linebreak?>-	verklaart het beroep gegrond;<?linebreak?>-	vernietigt het bestreden besluit;</para>
    </parablock>
    <para>- draagt verweerder op binnen acht weken na verzending van dit proces-verbaal een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.068,-;</para>
    <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiseres te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Deze zaak gaat over het verzoek van eiseres aan verweerder om terug te komen op het besluit van 4 februari 2009. Met dat besluit heeft verweerder de ZW-uitkering van eiseres beëindigd per 5 februari 2009. Verweerder kan terugkomen op een eerdere beslissing als er sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.<footnote-ref linkend="_84af8b97-8f69-4cc6-b428-170387ab3edc" /> Volgens eiseres blijken die nieuwe feiten en omstandigheden uit een rapport van psychiater M.C.J. van Rijn van 19 maart 2020. Op grond van de conclusies uit dat rapport zou zij alsnog in aanmerking moeten komen voor een ZW-uitkering per 5 februari 2019.</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank stelt vast dat verweerder in dit geval niet heeft beoordeeld of er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, omdat dat volgens verweerder niet nodig was. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat als zou blijken dat eiseres toch recht had op een ZW-uitkering vanaf 5 februari 2009, dit recht niet tot uitbetaling kan komen omdat aanspraken jegens de overheid na vijf jaar verjaren. Verweerder verwijst hierbij naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). </para>
    <para />
    <para>3. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verweerder dit zo heeft mogen doen. De rechtbank vindt van niet. Verweerder had eerst moeten beoordelen of er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die maken dat verweerder moet terugkomen op het besluit van 4 februari 2009. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat een eventuele toekenning van een ZW-uitkering per 5 februari 2009 van invloed zou kunnen zijn op het recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De aanvraag van eiseres om een WIA-uitkering is immers afgewezen, omdat zij door het eindigen van haar ZW-uitkering de wachttijd van 104 weken niet heeft doorlopen. </para>
    <para />
    <para>4. Het bestreden besluit is dus onzorgvuldig voorbereid. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen en verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen, omdat er een nieuwe (inhoudelijke) beoordeling van het verzoek van eiseres moet komen. De rechtbank draagt verweerder daarom op om binnen acht weken na verzending van dit proces-verbaal een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen. Dat besluit kan niet iets anders inhouden dan dat het primaire besluit wordt herroepen en er alsnog beoordeeld wordt of er uit het rapport van psychiater Van Rijn nieuwe feiten en/of omstandigheden naar voren komen die maken dat moet worden teruggekomen op het besluit van 4 februari 2019. </para>
    <para />
    <para>5. Als blijkt dat er reden is om terug te komen op dat besluit en eiseres alsnog recht heeft op een ZW-uitkering per 5 februari 2009, komt de vraag aan de orde of die vordering is verjaard. Verweerder moet bij beantwoording van die vraag de rechtspraak van de CRvB betrekken die wordt genoemd in de uitspraak van de rechtbank Gelderland van                                 20 oktober 2020.<footnote-ref linkend="_11474a6a-b9dc-470c-a868-7b2784b832dd" /></para>
    <para />
    <para>6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de rechtbank met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1). Verweerder moet ook het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoeden. </para>
    <para />
    <para>7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid van het instellen van hoger beroep. Onder aan</para>
    <para>dit proces-verbaal staat omschreven op welke wijze dit kan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
  </section>
  <footnote id="_84af8b97-8f69-4cc6-b428-170387ab3edc" label="1">
    <para> Artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_11474a6a-b9dc-470c-a868-7b2784b832dd" label="2">
    <para> ECLI:NL:RBGEL:2020:5564.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>