<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2021:1471</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-03T11:21:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-02-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/3541-V</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:1471">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:1471</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-03T11:20:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2021:1471 Rechtbank Midden-Nederland , 11-02-2021 / 20/3541-V</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2021:1471:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzet ongegrond. 6 weken termijn om te beslissen is niet van toepassing.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2021:1471:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 20/3541-V </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2021 op het verzet van </bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [opposant 1], te [woonplaats 1], en</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opposant 2], </emphasis>te [woonplaats 2], opposanten, </para>
      <para>(gemachtigde: A. Stokhof).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposanten hebben ingediend tegen het niet op tijd beslissen door de heffingsambtenaar van de gemeente Almere (hierna: de heffingsambtenaar) op de ingediende bezwaarschriften. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de uitspraak van 2 december 2020 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposanten zijn tegen deze uitspraak in verzet gegaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposanten hebben niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 2 december 2020 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroep te vroeg is ingediend. Op grond van artikel 236, lid 2 van de Gemeentewet was de termijn om te beslissen op de bezwaren die zien op de WOZ-beschikkingen en de aanslagen rioolheffing voor de jaren 2017 tot en met 2019 nog niet verstreken. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </para>
    <para />
    <para>2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. </para>
    <para>De rechtbank kijkt (nog) niet of opposanten gelijk hebben met het beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 2 december 2020 niet juist was. </para>
    <para />
    <para>3. Volgens opposanten is de uitspraak van de rechtbank van 2 december 2020 niet juist omdat – kort gezegd – artikel 236, lid 2 van de Gemeentewet niet van toepassing is. In hun geval zou de normale beslistermijn van 6 weken moeten gelden. Volgens opposanten heeft de wetgever met artikel 236, lid 2 van de Gemeentewet destijds bewust gekozen voor een beslistermijn die afwijkt van de termijn die is neergelegd in de Awb, om zo rekening te houden met de piekbelasting van lagere overheden en de afdoening van bezwaarschriften over het kalenderjaar uit te smeren. Omdat de aanslagen zijn opgelegd met als dagtekening 31 december 2019 is het argument van de piekbelasting niet aan de orde. De verlengde beslistermijn geldt ook niet voor alle bezwaarschriften. Bezwaarschriften die in de laatste zes weken van een kalenderjaar worden ingediend dienen ook binnen zes weken behandeld te worden. In dit geval betreft het aanslagen voor de jaren 2017 tot en met 2019, terwijl voor die jaren al onherroepelijk vaststaande aanslagen waren opgelegd. Het zijn dus geen reguliere aanslagen als bedoeld in artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet. Daarom moet hier logischerwijs de normale beslistermijn van zes weken op van toepassing zijn. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank is het niet eens met opposanten en legt dat hierna uit. De beslistermijn, zoals neergelegd in artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet is onverkort van toepassing. Deze beslistermijn geldt immers voor bezwaarschriften, gericht tegen WOZ-beschikkingen en aanslagen van gemeentelijke belastingen. Anders dan opposanten stellen, biedt de wet geen ruimte om in dit geval een andere beslistermijn te hanteren. Uitsluitend voor een bezwaarschrift dat is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar geldt de beslistermijn van artikel 7:10 van de Awb. Hiervan is geen sprake. De bezwaren tegen de WOZ-beschikkingen en de aanslagen rioolheffing zijn op 6 april 2020 door de heffingsambtenaar ontvangen. Dit betekent dat de heffingsambtenaar tot het einde van dat kalenderjaar de tijd heeft om een uitspraak te doen op de bezwaren. Het beroep was dan ook te vroeg ingediend. </para>
    <para />
    <para>5. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van <?linebreak?>2 december 2020 in stand blijft.</para>
    <para />
    <para>6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.H. van Ek, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is uitgesproken op 11 februari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak? </title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>