<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2021:1395</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-06T10:34:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-03-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/652151-18 (ontneming)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Lelystad</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:1395">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:1395</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-08T13:25:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2021:1395 Rechtbank Midden-Nederland , 31-03-2021 / 16/652151-18 (ontneming)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2021:1395:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De rechtbank heeft veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling van een geldbedrag van € 15.820,06 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel verkregen uit het medeplegen van het aanwezig hebben van een hoeveelheid van 6036 gram (gedroogde) hennep en 209 hennepplanten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2021:1395:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Strafrecht</para>
      <para>Zittingsplaats Lelystad/Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 16/652151-18 (ontneming)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [veroordeelde]
        </emphasis>
        <emphasis role="bold caps">,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [1990] te [geboorteplaats] ,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] , aan [adres] , <?linebreak?>hierna: veroordeelde.</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>ONDERZOEK TER TERECHTZITTING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 maart 2021.<?linebreak?></para>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. N. Schapendonk en van hetgeen de raadsman van veroordeelde, mr. P.D. Popescu, advocaat te Amsterdam, naar voren heeft gebracht. </para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>VORDERING</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft op 18 februari 2021 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie wordt geschat op € 104.282,46. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd de vordering tot ontneming af te wijzen, omdat niet aannemelijk is dat veroordeelde daadwerkelijk voordeel heeft verkregen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging	</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsman heeft – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de periode waarop de vordering ontneming op gebaseerd is een te lange periode is, omdat in 2016 na de melding bij Misdaad Anoniem nog geen sprake was van een verdenking. De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen, gelet op het requisitoir van de officier van justitie.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>BEOORDELING VAN DE VORDERING</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De grondslag van de vordering</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank heeft veroordeelde in de onderliggende strafzaak bij vonnis van 31 maart 2021 onder meer veroordeeld ter zake van ‘medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’. Uit de bewezenverklaring in het vonnis volgt dat veroordeelde zich in de periode van 26 juni 2017 tot en met 7 augustus 2017 schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van hennep (6036 gram en 209 hennepplanten). </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat op grond van de navolgende feiten en omstandigheden, die aan wettige bewijsmiddelen zijn ontleend, voldoende aannemelijk is geworden dat veroordeelde uit de baten van het hiervoor genoemde bewezen verklaarde feit wederrechtelijk voordeel heeft genoten als bedoeld in artikel 36e Sr.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank neemt voor de berekening van de opbrengsten en kosten – voor zover hierna niet anders wordt vermeld – tot uitgangspunt hetgeen is opgenomen in het ontnemingsrapport.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
        </para>
        <para>Onduidelijk is gebleven wat de daadwerkelijke productiekosten en de verkoopprijs van de hennep zijn geweest, zodat de rechtbank voor de berekening van de opbrengsten en kosten – voor zover niet anders wordt vermeld – tot uitgangspunt neemt wat is opgenomen in het ontnemingsrapport.<footnote-ref linkend="_0fd97a6d-df87-4f0d-a652-31be3b6ff017" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.3.1.</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Aantal oogsten/Periode</emphasis>
          </para>
          <para>De veroordeelde [medeveroordeelde] heeft ter terechtzitting van 19 maart 2021 verklaard dat er twee oogsten hebben plaatsgevonden. Ondersteuning daarvoor kan worden gevonden in de aangifte van Liander.<footnote-ref linkend="_edb22fe3-fd91-448a-bdce-fdce44c59b9c" /> De rechtbank zal de verklaring van [medeveroordeelde] – die terechtzitting is gevoegd in het onderhavige dossier - eveneens gebruiken voor de berekening in onderhavige zaak, omdat sprake is van medeplegen. De rechtbank is aldus van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat sprake is van twee gerealiseerde oogsten en zal daarvan in de navolgende berekening uitgaan.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.2.</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Omvang en bruto opbrengst</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="underline">1e Kweekruimte</emphasis>
          </para>
          <para>In de 1e kweekruimte stonden 129 plantenpotten. De oppervlakte van de beplanting in de 1e kweekruimte was 8,1 m2. Per m2 stonden er 16 plantenpotten. In het rapport van Functioneel Parket Afpakken van 1 november 2010 is een tabel opgenomen met daarin de opbrengst per hennepplant. De opbrengst aan hennep per plant van de 1e kweekruimte is volgens de tabel minimaal 27,7 gram.</para>
          <para>De totale bruto opbrengst aan hennep per oogst bedraagt:</para>
          <para>129 planten x 27,7 gram = 3,5733 kilogram.</para>
          <para>De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Volgens het rapport van Functioneel Parket Afpakken bedraagt dit minimaal € 3.280,-- per kilogram. De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt minimaal 3,5733 kilogram x € 3.2800,-- € 11.720,42. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">2e Kweekruimte </emphasis>
          </para>
          <para>In de 2e kweekruimte stonden 71 plantenpotten. De oppervlakte van de beplanting in de 2e kweekruimte was 8,5 m2. Per m2 stonden er 9 plantenpotten. In het rapport van Functioneel Parket Afpakken van 1 november 2010 is een tabel opgenomen met daarin de opbrengst per hennepplant. De opbrengst aan hennep per plant van de 2e kweekruimte is volgens de tabel minimaal 27,7 gram.</para>
          <para>De totale bruto opbrengst aan hennep per oogst bedraagt:</para>
          <para>71 planten x 30,9 gram = 2,1939 kilogram.</para>
          <para>De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Volgens het rapport van Functioneel parket Afpakken bedraagt dit minimaal € 3.280,-- per kilogram. De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt minimaal 2,1939 kilogram x € 3.2800,-- € 7.195,99. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.3.</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Kosten</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="underline">1e Kweekruimte</emphasis>
          </para>
          <para>De in mindering te brengen kosten per oogst zijn op basis van het rapport van Functioneel Parket Afpakken als volgt:</para>
          <para>Afschrijvingskosten:	€ 150,-- </para>
          <para>Hennepstekken:		€ 367,65 (€ 2,85 per stek/plant)</para>
          <para>Variabele kosten:	€ 429,57 (€ 3,33 per stek/plant)</para>
          <para>
            <emphasis role="underline">Totaal aan kosten:	€ 947,22</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">2e Kweekruimte</emphasis>
            <?linebreak?>De in mindering te brengen kosten per oogst zijn op basis van het rapport van Functioneel Parket Afpakken als volgt:</para>
          <para>Afschrijvingskosten:	€ 150,-- </para>
          <para>Hennepstekken:		€ 202,35 (€ 2,85 per stek/plant)</para>
          <para>Variabele kosten:	€ 236,43 (€ 3,33 per stek/plant)</para>
          <para>
            <emphasis role="underline">Totaal aan kosten:	€ 588,78</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De elektriciteit werd op illegale wijze afgenomen. De raadsman heeft voorafgaande aan de terechtzitting stukken aan de rechtbank doen toekomen waaruit blijkt dat de kosten van Liander zijn betaald. Naar het oordeel van de rechtbank komen van die nota uitsluitend die kosten voor aftrek in aanmerking die betrekking hebben op de oogsten waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd.. Dit betreft alleen de post Netverlies 2017 en niet ook nog, zoals de officier van justitie heeft betoogd, de post Netverlies 2016. Deze stroomkosten à € 3.120,69 zijn achteraf door veroordeelde betaald en kunnen daarom als kosten in mindering worden gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank leiden alle overige door Liander aan veroordeelde in rekening gebrachte kosten, zoals de kosten voor het onderzoek aan de meetinrichting, voorrijkosten, afhandelingskosten en administratiekosten niet tot vermindering van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank overweegt in dit verband dat dit wellicht kosten zijn die veroordeelde heeft moeten maken als gevolg van het telen van hennep maar dat het daarmee nog geen kosten zijn die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict dat ten grondslag ligt aan de becijfering van het wederrechtelijk verkregen voordeel (de oogst van de hennepteelt).</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.4.</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="underline">1e Kweekruimte</emphasis>
          </para>
          <para>Bruto opbrengst 2 oogsten x € 11.720,42 =	€ 23.440,84<?linebreak?>Totale kosten 2 oogsten x € 947,22 -/-		€ 1.894,44 </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">2e Kweekruimte</emphasis>
            <?linebreak?>Bruto opbrengst 2 oogsten x € 7.195,99	=	€ 14.391,98</para>
          <para>Totale kosten 2 oogsten x € 588,78 -/-		€ 1.177,56 </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Betaalde stroomkosten Liander -/-		€ 3.120,69</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Wederrechtelijk verkregen voordeel		€ 31.640,13</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 31.640,13.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Toerekening van het voordeel</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Veroordeelde is bij vonnis van 31 maart 2021 veroordeeld tot <emphasis role="italic">medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. </emphasis>De rechtbank gaat, in het verlengde van dat bewijsoordeel in de strafzaak, ook in de ontnemingszaak ervan uit dat veroordeelde met medeveroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de baten van het bewezenverklaarde feit. Dit betekent dat het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel niet voor het volle bedrag, maar voor een gedeelte aan veroordeelde dient te worden toegerekend.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank acht, gelet op het feit dat zij een gezamenlijk huishouden vormen, aannemelijk dat veroordeelde en medeveroordeelde het weggenomen geldbedrag pondsponds hebben verdeeld. De rechtbank stelt aldus het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 15.820,06.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Betalingsverplichting</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat evenals in de strafzaak ook in de onderhavige ontnemingszaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding al voldoende is gecompenseerd door matiging van de in de strafzaak aan veroordeelde opgelegde straf wegens schending van de redelijke termijn. De rechtbank zal daarom in onderhavige ontnemingszaak volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt het bedrag dat door veroordeelde dient te worden betaald aan de staat, vast op € 15.820,06.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>TOEGEPAST WETSARTIKEL</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 15.820,06;</para>
    <para />
    <para>- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 15.820,06 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;</para>
    <para />
    <para>- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 632 dagen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. V.M.A. Sinnige, voorzitter, mrs. A.M. Loots en H.B.W. Beekman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Doorman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 maart 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_0fd97a6d-df87-4f0d-a652-31be3b6ff017" label="1">
    <para> Het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel”, opgenomen in het aan de strafzaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nummer PL0900-2017241834 (pagina 118 tot en met 128).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_edb22fe3-fd91-448a-bdce-fdce44c59b9c" label="2">
    <para> Pagina 73.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>