<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2021:1311</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-26T09:25:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-02-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR - 20 _ 3689</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:1311">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:1311</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-26T09:24:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2021:1311 Rechtbank Midden-Nederland , 04-02-2021 / UTR - 20 _ 3689</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2021:1311:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Huurtoeslag; verzoek om herziening; geen bezwaarschrift; 6:15 Awb; onbevoegd</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2021:1311:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 20/3689 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2021 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], te [woonplaats], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.H.F. de Jong),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Belastingdienst/Toeslagen, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S. Akbulut).<?linebreak?></para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de brief van 22 mei 2020 heeft verweerder het voorschot huurtoeslag van eiser voor het jaar 2020 opnieuw berekend en vastgesteld op € 0,-. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft op 6 juni 2020 een brief gestuurd naar verweerder dat hij wel recht op huurtoeslag heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 3 september 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 22 mei 2020 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen N. el Helou, tolk. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Op 22 mei 2020, en eerder al op 27 december 2019, 21 februari 2020 en 23 april 2020, heeft verweerder aan eiser bericht dat aan eiser een voorschot huurtoeslag van € 0,- voor 2020 wordt verleend, omdat uit gegevens van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bleek dat ten minste één van eiser zijn medebewoners niet rechtmatig in Nederland verbleef of een verblijfsstatus had zonder recht op huurtoeslag. In deze berichten wordt specifiek verwezen naar de toeslagpartner van eiser die geen rechtmatig verblijf zou hebben in Nederland.</para>
    <para />
    <para>2. Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke behandeling van het geschil, ziet de rechtbank zich ambtshalve voor de vraag gesteld of zij bevoegd is van het beroep kennis te nemen.</para>
    <para />
    <para>3. Als reactie op de brief van 22 mei 2020 heeft eiser op 6 juni 2020 een brief naar verweerder gestuurd. In de brief voert eiser aan dat hij recht heeft op huurtoeslag, omdat de verblijfsstatus van zijn toeslagpartner per 7 april 2020 is veranderd. Verweerder heeft deze brief aangemerkt als een bezwaarschrift op zijn herhaalde besluit van 22 mei 2020 en daarop een beslissing op bezwaar genomen. In beroep heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte inhoudelijk op het bezwaar van eiser is ingegaan. Het bezwaar van eiser had niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat het om een herhaald besluit gaat dat niet op rechtsgevolgen is gericht.<footnote-ref linkend="_1a9b3b65-7ea3-4191-9ca9-0bd92077321f" /> Op 27 december 2019 is besloten dat het voorschot huurtoeslag € 0,- zal worden, omdat zijn toeslagpartner geen rechtmatig verblijf heeft. De brief van 22 mei 2020 roept hetzelfde rechtsgevolg in het leven. Daarom was er geen reden inhoudelijk op het bezwaar tegen die brief in te gaan, aldus verweerder. Dit zou betekenen dat de rechtbank het beroep gegrond moet verklaren en zelf in de zaak moet voorzien door het bezwaarschrift niet ontvankelijk te verklaren, aldus verweerder. Ook de rechtbank zou in dat geval niet inhoudelijk beoordelen of het voorschot huurtoeslag 2020 gewijzigd moet worden.</para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank kan verweerder in zoverre volgen dat de brief van 22 mei 2020 geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven roept. Eerder was al besloten dat het voorschot huurtoeslag van eiser voor 2020 € 0,- zou worden omdat zijn toeslagpartner geen rechtmatig verblijf had. Hoewel het niet mogelijk is tegen een herhaald besluit bezwaar te maken, is het wel mogelijk om een herziening van het voorschot huurtoeslag te vragen vanwege gewijzigde omstandigheden.<footnote-ref linkend="_8144710c-450b-4401-b778-bfc163e402ff" /> Eiser heeft wijzigingen doorgegeven over de verblijfsstatus van zijn (voormalig) toeslagpartner en, naar aanleiding van het besluit van 3 september 2020, ook over de verblijfsstatus van zijn zoon. Deze wijzigingen zijn mogelijk relevant voor het recht op huurtoeslag 2020. Verweerder moet beoordelen of de aangevoerde omstandigheden maken dat eiser wel (ten dele) recht heeft op huurtoeslag in 2020.</para>
    <para />
    <para>5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de brief van eiser van 6 juni 2020 ten onrechte als een bezwaarschrift opgevat. Verweerder had deze brief als een verzoek van eiser om herziening van het voorschot huurtoeslag voor het jaar 2020 moeten opvatten, omdat eiser daarin nieuwe gewijzigde omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan verweerder het voorschot zou moeten herzien. De rechtbank merkt de beslissing op bezwaar van 3 september 2020 aan als primair besluit, waarin het herzieningsverzoek van eiser wordt afgewezen. Dat betekent dat het beroepschrift tegen de beslissing op bezwaar als bezwaarschrift tegen het besluit van 3 september 2020 moet worden aangemerkt.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank is gelet op het voorgaande onbevoegd om van het beroepschrift kennis te nemen en zal op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht het beroepschrift van eiser doorsturen naar verweerder ter behandeling als een bezwaarschrift. </para>
    <para />
    <para>7. Op grond van artikel 2.5, zesde lid, van het Procesreglement bestuursrecht 2017 zal het door eiser betaalde griffierecht door de griffier aan hem worden terugbetaald. </para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- met een wegingsfactor 1).</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart zich onbevoegd;</para>
    <para>- verwijst het beroepschrift naar verweerder om verder als bezwaarschrift te behandelen;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. R.P. Stehouwer, griffier. De beslissing is uitgesproken op 4 februari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De rechter is verhinderd om de </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">					         uitspraak te ondertekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_1a9b3b65-7ea3-4191-9ca9-0bd92077321f" label="1">
    <para> Verweerder verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 mei 2018,  ECLI:NL:RVS:2018:1622.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8144710c-450b-4401-b778-bfc163e402ff" label="2">
    <para> Artikel 16, vijfde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>