<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2020:5338</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-21T13:36:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-12-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 20/1691</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:5338">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:5338</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-21T13:00:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2020:5338 Rechtbank Midden-Nederland , 01-12-2020 / UTR 20/1691</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2020:5338:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep, mondelinge uitspraak, VOG, gronden bezwaar herhaald in beroep, ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2020:5338:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 20/1691</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">1 december 2020 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [eiser] , te [woonplaats] , eiser</para>
      <para>(gemachtigde: mr. J. Zaim),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de minister voor Rechtsbescherming, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. C.M.A.V. van Kleef).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 24 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om afgifte van een verklaring omtrent gedrag (VOG) afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 16 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser op goede gronden heeft afgewezen. Dit betekent dat eiser niet in aanmerking komt voor een VOG voor de functie van integraal begeleider. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. </para>
    <para />
    <para>2. Op 12 juli 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend tot afgifte van een VOG voor de functie van integraal begeleider bij [bedrijf] te [woonplaats] . Eiser werkt met collega’s met groepen cliënten die begeleiding nodig hebben. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder het Justitieel Documentatiesysteem (JDS) geraadpleegd met een (verlengde) terugkijktermijn. Uit het JDS blijkt dat eiser met justitie in aanraking is gekomen wegens een zedendelict en meerdere verkeersdelicten. Indien herhaald, in de functie van integraal medewerker, bestaat een risico voor het welzijn en de veiligheid van personen met wie eiser tijdens het werk in aanraking komt dan wel het in gevaar brengen van cliënten en andere weggebruikers. </para>
    <para />
    <para>3. In het bestreden besluit heeft verweerder het standpunt zoals neergelegd in het primaire besluit gehandhaafd, dat is voldaan aan het objectieve en subjectieve criterium, zoals neergelegd in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en de Beleidsregels VOG-NP-RP-2018 alsmede de voor deze zaak relevante onderdelen uit het screeningsprofiel.</para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep uitsluitend herhaalt wat hij eerder in deze procedure naar voren heeft gebracht. Nu verweerder hier in het bestreden besluit op heeft besloten en de gronden gemotiveerd heeft weerlegd en eiser deze gronden in beroep niet nader heeft onderbouwd, kan de enkele herhaling daarvan niet leiden tot het daarmee door eiser beoogde resultaat. Het enkel stellen dat het besluit vanwege onvoldoende feitelijke onderbouwing van de conclusies en de overwegingen in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht is daartoe onvoldoende. Wat eiser ter zitting heeft aangevoerd over het niet kunnen verkrijgen van een verklaring van zijn werkgever/opdrachtgever over de feitelijke werkzaamheden, maakt niet dat verweerder de besluitvorming onjuist heeft gedaan. De ter zitting aangevoerde omstandigheden waaronder het zedendelict heeft plaatsgevonden maken ook niet dat de besluitvorming van verweerder tot een andere uitkomst had moeten leiden. Daar komt bij dat verweerder voldoende gewicht heeft toegekend aan de persoonlijke belangen van eiser en deze heeft betrokken bij de beoordeling. Het belang van kwetsbare personen in de maatschappij weegt zwaarder dan het belang van eiser bij afgifte van een VOG. </para>
    <para />
    <para>5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op </para>
      <para>1 december 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>