<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2020:5337</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-21T13:37:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-12-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 19/5250</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:5337">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:5337</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-21T13:36:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2020:5337 Rechtbank Midden-Nederland , 08-12-2020 / UTR 19/5250</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2020:5337:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Proceskostenuitspraak.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2020:5337:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 19/5250</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2020 op het proceskostenverzoek in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster</para>
    <para>(gemachtigde: mr. N. Türkkol)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>en</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder</para>
    <para>(gemachtigde: mr. M.E. Buter).</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. Verzoekster ontvangt een Ziektewetuitkering. Op 14 april 2019 heeft verzoekster verweerder haar verblijfsadres in Australië doorgegeven. Ten behoeve van de re-integratie van verzoekster in werk is er op 19 juni 2019 een Plan van Aanpak vastgesteld. Een dag later, op 20 juni 2019, heeft verweerder verzoekster een maatregel opgelegd. Hierbij heeft verweerder de uitbetaling van de Ziektewetuitkering aan verzoekster met 25% verlaagd over de periode van 19 juni 2019 tot en met 18 oktober 2019. Reden hiervoor is dat verweerder vindt dat verzoekster door haar verblijf in Australië niet aan haar verplichting voldoet om mee te werken aan het opstellen van een re‑integratieplan. De bezwaarschriften die verzoekster tegen het Plan van Aanpak en de maatregel heeft ingediend zijn door verweerder bij besluit van 31 oktober 2019 (<emphasis role="italic">het bestreden besluit</emphasis>) ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>2. Verzoekster heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is op 25 september 2020 behandeld op een digitale zitting via Skype. Verzoekster en verweerder hebben zich daarbij laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek in de zaak geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld om een nieuw besluit te nemen op de bezwaarschriften van verzoekster.</para>
    <para />
    <para>3. Bij besluit van 8 oktober 2020 (<emphasis role="italic">het nieuwe besluit</emphasis>) heeft verweerder het bestreden besluit gewijzigd door het bezwaarschrift van verzoekster tegen de maatregel alsnog gegrond te verklaren en de maatregel in te trekken. Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster haar beroep ingetrokken onder het gelijktijdige verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten die zij in beroep heeft gemaakt. De rechtbank heeft verweerder bij brief van 30 oktober 2020 in de gelegenheid gesteld om daar binnen twee weken op te reageren. Verweerder heeft hiervan geen gebruik gemaakt.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van het proceskostenverzoek</title>
    <para />
    <para>4. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), uitspraak op het proceskostenverzoek zonder het verzoek op een zitting te behandelen.</para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank stelt vast dat verzoekster haar beroep heeft ingetrokken, omdat verweerder in het nieuwe besluit (gedeeltelijk) tegemoet is gekomen aan haar bezwaren tegen het bestreden besluit. Gelet op artikel 8:75a van de Awb ziet de rechtbank dan ook aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die verzoekster in beroep redelijkerwijs heeft gemaakt.</para>
    <para />
    <para>6. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank de proceskosten van verzoekster, voor de verleende rechtsbijstand van haar gemachtigde in beroep, vast op € 525,-- (1 punt voor het bijwonen van de zitting in beroep, met een waarde per punt van € 525,-- en een wegingsfactor 1). Omdat aan verzoekster een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. Dit staat in artikel 8:75, tweede lid van de Awb.</para>
    <para />
    <para>7. Uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is om het door verzoekster betaalde griffierecht van € 47,-- aan haar te vergoeden. In het nieuwe besluit heeft verweerder al toegezegd dit te gaan doen. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 525,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van</para>
      <para>mr. N.K. de Bruin, griffier. De beslissing is uitgesproken op 8 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het niet met de uitspraak eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet uw verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>