<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2020:5124</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-02-19T15:56:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-11-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 191707</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:5124">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:5124</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-02-19T15:47:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-02-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2020:5124 Rechtbank Midden-Nederland , 05-11-2020 / UTR 191707</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2020:5124:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Einduitspraak. Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Beroep gegrond, besluit vernietigd. Bij voorziening begunstigingstermijn verlengd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2020:5124:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 19/1707</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">einduitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2020 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Herôme International B.V., te Amsterdam, eiseres</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M. van Weeren),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weesp (hierna: het college), verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: S. Snel).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 3 augustus 2020 heeft de rechtbank in deze zaak een (tussen)uitspraak gedaan over het beroep van eiseres tegen de besluiten van het college van 13 maart 2019 en 15 januari 2020. Voor het procesverloop tot dat moment verwijst de rechtbank naar die (tussen)uitspraak<footnote-ref linkend="_ce74428b-dc6a-4bae-af4f-bdb4b917f5ee" />. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft in die (tussen)uitspraak het beroep van eiseres tegen het besluit van het college van 13 maart 2019 ongegrond verklaard en partijen erop gewezen dat binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verder heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om het motiveringsgebrek in het besluit van het college van 15 januari 2020 te herstellen, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het college heeft niet gereageerd op de geboden herstelmogelijkheid. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 3 november 2020 gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Deze uitspraak ziet alleen op het besluit van 15 januari 2020, waarin het college heeft geweigerd de last onder dwangsom aan te passen voor de damwand. De uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.</para>
    <para />
    <para>2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat het college ten onrechte de belangenafweging die hij op grond van artikel 5:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet maken, niet heeft verricht. Bovendien heeft het college niet gemotiveerd waarom hij de looptijd van de last niet wil opschorten, ondanks zijn bereidheid een aanvraag om een omgevingsvergunning opnieuw te beoordelen. </para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om het gebrek te herstellen door alsnog een belangenafweging te maken, waarbij hij in ieder geval moet ingaan op wat onder 15.2 van de tussenuitspraak is overwogen en wat eiseres hieromtrent heeft gesteld. </para>
    <para />
    <para>4. Het college heeft niet gereageerd op de tussenuitspraak. Dat betekent dat het gebrek niet is hersteld en het besluit in strijd is met de artikelen 3:4, tweede lid, en 3:46 van de Awb. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres daarom gegrond en vernietigt het besluit van</para>
    <para>15 januari 2020.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Hoe gaat het verder?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. Het college moet opnieuw beslissen op het verzoek dat eiseres in haar brief van </para>
    <para>20 december 2019 heeft gedaan met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak. </para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank overweegt vervolgens dat zij in de (tussen)uitspraak de voorziening heeft getroffen dat de begunstigingstermijn voor de damwand en verharding wordt verlengd totdat zij einduitspraak heeft gedaan in het beroep tegen het besluit van 15 januari 2020; Dat betekent dat eiseres vanaf nu, het moment dat deze einduitspraak wordt gedaan, aan de lasten moet voldoen. Dat eiseres dwangsommen zal verbeuren voor de damwand en verharding vindt de rechtbank, gelet op wat hierboven is overwogen, echter onredelijk. De rechtbank bepaalt daarom op grond van het bepaalde in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb dat de begunstigingstermijn voor de damwand en verharding wordt verlengd tot twee weken na de verzenddatum van het nieuwe besluit dat het college moet nemen op het verzoek van 20 december 2019 van eiseres. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Griffierecht en proceskosten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. In de uitspraak over het beroep tegen het besluit van 13 maart 2019 heeft de rechtbank reeds bepaald dat het college het griffierecht en de proceskosten aan eiseres moet vergoeden. Na die uitspraak zijn geen handelingen meer zijn verricht die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding is aanmerking komen.  </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het besluit van 15 januari 2020;</para>
    <para>- draagt het college op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een </para>
    <parablock>
      <para>  nieuw besluit te nemen op het verzoek van eiseres met inachtneming van deze uitspraak en  </para>
      <para>  de tussenuitspraak;</para>
    </parablock>
    <para>- treft de voorziening dat de begunstigingstermijn ten aanzien van de damwand en </para>
    <parablock>
      <para>  verharding wordt verlengd tot twee weken na de verzenddatum van het nieuwe besluit van </para>
      <para>  het college.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier. De beslissing is uitgesproken op 5 november 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak over het besluit van 15 januari 2020 kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_ce74428b-dc6a-4bae-af4f-bdb4b917f5ee" label="1">
    <para> Bij partijen bekend onder procedurenummer UTR 19/1707-T.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>