<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2020:4357</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-03-25T09:16:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-10-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 20/1790</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:4357">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:4357</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-03-25T09:15:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-03-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2020:4357 Rechtbank Midden-Nederland , 09-10-2020 / UTR 20/1790</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2020:4357:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep tegen beëindiging betalingsregeling. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2020:4357:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 20/1790</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2020 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [eiser] , te [woonplaats] , eiser</para>
      <para>(gemachtigde: mr. C.J. van der Have),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgermeester en wethouders van Almere, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. P.J.M. Hendriks).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Inleiding en procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft een schuld aan verweerder. Eiser lost hierop maandelijks € 10,- af. Daarnaast</para>
      <para>ontvangt eiser een AOW-uitkering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft vastgesteld dat eiser de betalingsregeling niet heeft nagekomen. Om die </para>
      <para>reden heeft verweerder bij besluit van 3 december 2019 (het primaire besluit) de </para>
      <para>betalingsregeling ingetrokken en bepaald dat verweerder voortaan maandelijks een </para>
      <para>verrekening zal toepassen op de AOW-uitkering van eiser. Dit houdt in dat verweerder op </para>
      <para>die uitkering maandelijks een bedrag inhoudt. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 27 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder dit bezwaar </para>
      <para>ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Verweerder heeft een </para>
      <para>verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via een Skypeverbinding op </para>
      <para>13 augustus 2020. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun respectieve gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om partijen de gelegenheid te bieden om tot een vergelijk te komen. Het onderzoek is op 21 september 2020 hervat. Partijen hebben toen meegedeeld dat zij geen overeenstemming hebben bereikt. Zij hebben de rechtbank verzocht om uitspraak te doen. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt dat hij de betalingsverplichting in feite wel is nagekomen. Tussen partijen heeft namelijk een verrekening plaatsgevonden van een ander bedrag. Deze verrekening overstijgt het bedrag dat eiser uit hoofde van de betalingsregeling nog diende af te lossen. Volgens eiser is er voor verweerder dus geen aanleiding is geweest om de betalingsregeling in te trekken en tot verrekening met zijn AOW-uitkering over te gaan. Verder betoogt eiser dat verweerder de betalingsregeling alleen met inachtneming van de regels van het burgerlijk recht heeft kunnen beëindigen. Aangezien verweerder de regels niet in acht heeft genomen, is het besluit in zoverre gebrekkig tot stand gekomen. </para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank overweegt het volgende. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser over verschillende maanden in 2018 en 2019 zijn verplichting tot aflossing op grond van de betalingsregeling met verweerder niet is nagekomen. Dit verzuim wordt niet gecompenseerd door de omstandigheid dat er tussen eiser en verweerder een verrekening van een ander bedrag heeft plaatsgevonden. Het feit blijft namelijk dat eiser zijn aflossingsverplichting op grond van de betalingsregeling met verweerder niet is nagekomen. Naar aanleiding van dit verzuim van eiser heeft verweerder de bevoegdheid gehad om op grond van artikel 4:96, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de betalingsregeling in te trekken. Hierbij spelen regels van het burgerlijk recht geen rol. </para>
    <para />
    <para>3. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond is. Het bestreden besluit blijft dus in stand. Voor een proceskostenveroordeling is een aanleiding. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. L.Y. Wong, griffier. De beslissing is uitgesproken op 9 oktober 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">de griffier is niet in de gelegenheid			de rechter is niet in de gelegenheid </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">deze uitspraak te ondertekenen			deze uitspraak te ondertekenen	 </emphasis>
      </para>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>