<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2020:4042</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T10:55:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-09-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-09-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 20/438</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2021-0281</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2021011906</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:4042">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:4042</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-01-19T09:04:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-01-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2020:4042 Rechtbank Midden-Nederland , 22-09-2020 / UTR 20/438</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2020:4042:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WOZ woning. Toestandsdatum. Beroep ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2020:4042:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 20/438</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2020 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: M.F. Rupert),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente [naam gemeente] , verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: J. Tammel).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de beschikking van 31 januari 2019 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [straatnaam] [nummeraanduiding] (de woning) voor het belastingjaar 2019 vastgesteld op € 1.000.000,-- naar de waardepeildatum 1 januari 2018. Verweerder heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelastingen en een aanslag rioolheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de uitspraak op bezwaar van 13 december 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de waarde van de woning gehandhaafd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift en een taxatierapport ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2020. In verband met maatregelen in het kader van het coronavirus heeft de zitting plaatsgevonden via Skype. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en taxateur [A] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Inleiding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. De woning is een 1925 gebouwde vrijstaande woning met twee dakkapellen, een garage en een schuur. De woning heeft een inhoud van 845 m³ en ligt op een perceel van 1050 m². </para>
    <para />
    <para>2. Eiser bepleit een lagere waarde. Verweerder bepleit de in bezwaar vastgestelde waarde. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Afbakening van het geschil</emphasis>
        <?linebreak?>3.	Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op 13 december 2017 overeengekomen is de woning te kopen voor € 952.500,-. Uit het opgaveformulier van eiser blijkt dat hij na levering van de woning op 16 maart 2018 voor € 100.000,- heeft geïnvesteerd. Deze werkzaamheden waren op 30 mei 2018 gereed. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Tussen partijen is niet in geschil en ook de rechtbank stelt vast dat, gelet op de investeringen van eiser, de waarde van de woning bepaald moet worden met toepassing van artikel 18, derde lid, van de Wet WOZ. Hierin staat (voor zover relevant) dat als een onroerende zaak in het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor de waarde wordt vastgesteld wijzigt als gevolg van verbetering, de waarde wordt bepaald naar de staat van de zaak bij het begin van het kalenderjaar waarvoor de waarde wordt vastgesteld. Dit wordt de toestandsdatum genoemd. In dit geval betekent dit dat de waarde van de woning moet worden bepaald naar de toestandsdatum 1 januari 2019. </para>
    <para />
    <para>5. Het geschil tussen partijen beperkt zich tot de vraag in welke mate de verbouwing tot een waardevermeerdering leidt ten opzichte van de prijs die eiser voor de woning heeft betaald in december 2017. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat het reëel is om uit te gaan van 60% van de verbouwingskosten. Eiser stelt zich op het standpunt dat dit 17,5% moet zijn. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. Verweerder heeft zich in de uitspraak op bezwaar op het standpunt gesteld dat de waarde van de woning moet worden bepaald door de aankoopprijs te vermeerderen met 60% van de verbouwingskosten. Ter zitting is door de taxateur toegelicht dat het zijn ervaring is dat verbouwingen in het algemeen tot een waardevermeerdering van 80 tot 85% van de verbouwingskosten leiden. In dit geval is 60% gehanteerd, maar dit is vervolgens afgerond naar beneden tot € 1.000.000,-, met als gevolg dat er feitelijk 47,5% gehanteerd is. </para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank kan de toelichting van de taxateur, als deskundige op dit gebied, volgen en is op basis hiervan van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. </para>
    <para />
    <para>8. Wat eiser hier tegen aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat vrijwel alle aanpassingen zijn gedaan omdat het huis bij aankoop niet naar smaak was en dat deze aanpassingen daarom niet zoveel waardevermeerdering opleveren. Volgens eiser levert de investering van € 100.000,- niet meer dan € 17.500,- waardevermeerdering op. De rechtbank kan dit standpunt niet volgen. Allereerst is de rechtbank van oordeel dat een dusdanig geringe waardevermeerdering niet reëel is. Bovendien heeft eiser zijn standpunt op geen enkele manier onderbouwd, behalve met de stelling dat bijna alle aanpassingen aan smaakgerelateerd waren. De beroepsgrond slaagt daarom niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Conclusie </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>9. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 22 september 2020 door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Dalen, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>