<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2020:373</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-12T08:32:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-01-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">7935140 UC EXPL 19-7861</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:373">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:373</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-12T08:31:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2020:373 Rechtbank Midden-Nederland , 22-01-2020 / 7935140 UC EXPL 19-7861</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2020:373:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Consumentenkoop van I-Phones via internet; de gedaagde partij zegt dat hij niet de koper van de I-Phones is, maar dat hij is opgelicht door een derde; verkoper mocht ervan uit gaan dat de gedaagde partij zijn contractspartij was.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2020:373:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 7935140 UC EXPL  19-7861 aw/1370</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 22 januari 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres] B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>verder ook te noemen: [eiseres] ,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>gemachtigde: ACCS Gerechtsdeurwaarders,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verder ook te noemen: [gedaagde] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para>Hoe de procedure is verlopen, blijkt uit het volgende:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de dagvaarding met bijlagen is op 17 juli 2019 bij [gedaagde] bezorgd,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          [gedaagde] heeft schriftelijk op de dagvaarding gereageerd. Hij heeft 4 bijlagen bijgevoegd,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>in het tussenvonnis van 6 november 2019 heeft de kantonrechter een comparitie na antwoord (een persoonlijke verschijning van partijen) vastgesteld,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          [gedaagde] heeft voorafgaand aan de comparitie de bijlagen 3 tot en met 6 toegezonden,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de comparitie heeft plaatsgevonden op 18 december 2019. Van wat er is besproken heeft de griffier aantekening gemaakt. Aan het slot van de comparitie heeft de kantonrechter meegedeeld dat op 22 januari 2020 vonnis zal worden gewezen.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling van de vordering van [eiseres]</title>
    <bridgehead role="italic">Waar gaat het om en wat is de beslissing van de kantonrechter?</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [bedrijfsnaam] B.V. heeft op of omstreeks 11 januari 2019 via internet een bestelling ontvangen voor 2 iPhones, tegen betaling van in totaal € 2.760,42. De betreffende klant heeft gekozen voor betaling in drie termijnen, waarbij de eerste termijn direct wordt voldaan, de tweede na 30 dagen en de derde na 60 dagen. De klant heeft als naam opgegeven:                            [gedaagde] . De factuur is door [bedrijfsnaam] B.V. opgemaakt op naam van:                               [gedaagde] , wonende [adres] in [woonplaats] , dat is het woonadres van            [gedaagde] . De eerste termijn ter hoogte van € 920,14 is betaald vanaf een bankrekening die op naam staat van [gedaagde] . De iPhones zijn op verzoek van de klant bezorgd op voormeld woonadres van [gedaagde] en zijn op dat adres door hem in ontvangst genomen. [bedrijfsnaam] B.V. heeft er volgens [eiseres] daarom van uit mogen gaan dat [gedaagde] haar contractspartij was. [gedaagde] heeft de tweede en derde termijn niet betaald. [bedrijfsnaam] B.V. heeft haar vordering gecedeerd (overgedragen) aan [eiseres] en [gedaagde] daarvan op de hoogte gebracht. In deze rechtszaak spreekt [eiseres] [gedaagde] aan op betaling van de tweede en derde termijn, een bedrag van in totaal € 1.840,28, te vermeerderen met rente en kosten. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert als verweer aan dat hij niet de koper is van de iPhones en daarom geen betaling is verschuldigd aan [eiseres] . Hij is slachtoffer geworden van fraude met bedreiging. Hij is per Whatsapp benaderd door [A] ., een jongen die hij kende van school. [A] . wilde via internet een telefoon kopen voor zijn moeder en vroeg of hij gebruik kon maken van de bankrekening van [gedaagde] , omdat hij zelf niet beschikte over een bankrekening. Ook moest de telefoon bezorgd worden op het adres van                          [gedaagde] , omdat het een verrassing moest zijn voor de moeder van [A] .           [gedaagde] heeft eerst € 950,00 contant van [A] . ontvangen. Dat bedrag heeft      hij op zijn bankrekening gestort, waarna [A] . via die bankrekening de telefoon heeft betaald aan de verkoper. [gedaagde] was in de veronderstelling dat het om één telefoon ging en was er niet van op de hoogte dat er nog twee termijnen betaald moesten worden. Hij heeft het pakket in ontvangst genomen en het ongeopend afgegeven aan [A] . Als hij had geweten van het bedrog had hij niet meegewerkt aan deze zaak. Hij heeft bij de politie aangifte van oplichting gedaan tegen [A] . De factuur van [bedrijfsnaam] B.V. heeft hij nooit gezien. [bedrijfsnaam] B.V. had kunnen weten dat hij niet de koper was, want de factuur is naar een e-mailadres gestuurd dat niet van hem is, namelijk: <emphasis role="underline">[.] @ [..]</emphasis>.                                [gedaagde] vindt daarom dat de vordering van [eiseres] moet worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] het gelijk aan haar zijde heeft. De vordering van [eiseres] zal worden toegewezen, om de volgende redenen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De motivering van de beslissing</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>
        [eiseres] stelt dat [bedrijfsnaam] B.V. een koopovereenkomst heeft gesloten met                   [gedaagde] voor de levering van 2 iPhones, tegen betaling van € 2.760,42. [bedrijfsnaam] B.V. heeft die iPhones geleverd, maar [gedaagde] heeft de koopsom niet volledig betaald. [gedaagde] betwist dat hij de iPhones heeft gekocht. Volgens hem is [A] . de koper en kan [bedrijfsnaam] B.V. – en daarmee ook [eiseres] , aan wie [bedrijfsnaam] B.V. de vordering heeft overgedragen – hem niet op betaling van het restant bedrag aanspreken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Voor het antwoord op de vraag wie de contractspartij van [bedrijfsnaam] B.V. is, moet beoordeeld worden wat [bedrijfsnaam] B.V. heeft mogen begrijpen uit de uitlatingen en gedragingen van de koper die zich bij haar heeft gemeld via internet. Die koper heeft de persoons- en adresgegevens van  [gedaagde] opgegeven en heeft de eerste termijn betaald via een bankrekening die op naam staat van [gedaagde] . De i-Phones zijn, zoals afgesproken, bezorgd op het woonadres van [gedaagde] en daar door hem in ontvangst genomen. Daaruit heeft [bedrijfsnaam] B.V. mogen begrijpen dat [gedaagde] haar contractspartij was. Er bestond voor [bedrijfsnaam] B.V. in de gegeven omstandigheden geen enkele reden om daaraan te twijfelen. [bedrijfsnaam] B.V. had geen weet van de Whatsapp-correspondentie tussen [gedaagde] en [A] . en kon dus ook niet weten dat het e-mailadres dat [A] . aan haar had opgegeven, niet van [gedaagde] was.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>
        [gedaagde] daarentegen is onvoorzichtig geweest door zijn persoonsgegevens af te geven aan iemand die hij niet goed kent. Hij heeft blijkens de overgelegde Whatsapp-correspondentie zelfs zijn bankgegevens (waaronder pasnummer en code) aan [A] . ter beschikking gesteld, waardoor [A] . toegang kreeg tot zijn bankrekening en zelf de eerste termijn aan [bedrijfsnaam] B.V. kon overmaken. Van enige bedreiging door [A] . blijkt uit die Whatsapp-correspondentie trouwens niet. De gevolgen van dat onvoorzichtig handelen moeten, in de rechtsverhouding tussen partijen, voor rekening van [gedaagde] blijven. [bedrijfsnaam] B.V. wist namelijk niet en kon ook niet weten wat er tussen [gedaagde] en [A] . speelde. Zoals hiervoor al is gezegd mocht [bedrijfsnaam] B.V. ervan uit gaan dat [gedaagde] haar contractspartij was. Als juist is dat [gedaagde] slachtoffer is geworden van oplichting door [A] ., dan moet hij niet [bedrijfsnaam] B.V., maar [A] . daarop aanspreken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De conclusie is dat [gedaagde] ook de tweede en derde termijn moet betalen, dat is een bedrag van € 1.840,28. Omdat [bedrijfsnaam] B.V. die vordering heeft gecedeerd aan [eiseres] , moet [gedaagde] dit bedrag nu aan [eiseres] betalen, met de wettelijke rente daarover als gevorderd. [eiseres] heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de wettelijke vereisten, waarin hij de gelegenheid heeft gekregen de vordering te betalen zonder dat hij buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd wordt (bijlage 2 bij dagvaarding). Omdat [gedaagde] de vordering niet binnen de in die aanmaning genoemde termijn heeft betaald, moet hij nu de buitengerechtelijke incassokosten van € 276,04 betalen. Ook dit deel van de vordering zal worden toegewezen. In totaal wordt een bedrag van € 2.124,94 toegewezen (€ 1.840,28 hoofdsom + € 8,62 wettelijke rente tot dagvaarding + € 276,04 buitengerechtelijke kosten).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft ongelijk gekregen. Hij moet daarom de proceskosten van [eiseres] betalen. Die kosten bedragen tot vandaag in totaal € 931,14, te weten:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>€ 486,00 griffierecht;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 85,14 dagvaardingskosten en informatiekosten;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 360,00 salaris gemachtigde (2 punten x het tarief van € 180,00).</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 2.124,94 met de wettelijke rente over € 1.840,28 vanaf 17 juli 2019 tot de voldoening;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 931,14;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.</para>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2020.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>