<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2020:2627</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-02T15:24:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-07-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8447596</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_arbeidsrecht">Civiel recht; Arbeidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AR-Updates.nl 2020-0925</rdf:li>
          <rdf:li>Jurisprudentie HSE 2020/87</rdf:li>
          <rdf:li>VAAN-AR-Updates.nl 2020-0925</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:2627">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:2627</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-30T08:15:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2020:2627 Rechtbank Midden-Nederland , 08-07-2020 / 8447596</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2020:2627:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Werknemer is ongeoorloofd afwezig en nuttigt alcohol tijdens werktijd. Betreft echter eenmalige gebeurtenis die onder gegeven omstandigheden geen ontslag op staande voet rechtvaardigt. Toekenning vergoedingen ogv 7:681 BW.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2020:2627:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 8447596 UE VERZ  20-113 LT/33864</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van 8 juli 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verder ook te noemen [verzoeker] ,</para>
      <para>verzoekende partij,</para>
      <para>gemachtigde: mr. M.F.M. Groot Kormelink,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerster] B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,</para>
      <para>verder ook te noemen [verweerster] ,</para>
      <para>verwerende partij,</para>
      <para>gemachtigde: mr. J.S. Dallinga.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- het verzoekschrift van [verzoeker] , ter griffie ingekomen op 10 april 2020, met 	aangehecht productie 1 t/m 10;</para>
      <para>- het verweerschrift van [verweerster] van 8 mei 2020 met daarbij productie 1 en 2;</para>
      <para>- de pleitnota van de zijde van [verzoeker] met daarin een wijziging van eis met 	aangehecht productie 11 t/m 13;</para>
      <para>- de pleitnota van de zijde van [verweerster] met aangehecht productie 3. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 juni 2020. In verband met het Corona-virus werd de mondelinge behandeling niet op de rechtbank gehouden, maar via Skype for Business. De griffier heeft daarvan aantekening gehouden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Hierna is uitspraak bepaald.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [verzoeker] is op 2 januari 2020 in dienst getreden van [verweerster] in de functie van elektricien. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, te weten tot 3 juli 2020. Het laatstgenoten salaris bedroeg € 2.945,- bruto per maand op basis van een 40-urige werkweek exclusief 8% vakantietoeslag. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>In de arbeidsovereenkomst is met betrekking tot de werktijden het volgende bepaald:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">	“Werktijden</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	Per dag zal er 8 uur gewerkt worden, de invulling van de werkdagen vinden in onderling overleg met 	werkgever plaats.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	Er zal gewerkt worden op maandag t/m vrijdag variërend van 07:00 uur tot en met 18:00 uur.(…)”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Bij brief van 11 maart 2020 heeft [verweerster] [verzoeker] op staande voet ontslagen. Voor zover hier relevant heeft [verweerster] daarin het volgende meegedeeld:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	“Hierbij willen wij je informeren dat wij door het voorval van heden ochtend genoodzaakt zijn om je 	per direct op staande voet te ontslaan. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	Uit een ontvangen klacht is gebleken dat je niet bent verschenen op de ingeplande afspraak, tevens was 	je niet telefonisch bereikbaar en niet afgemeld bij jouw leidinggevende. Uit onze GPS administratie 	blijkt dat je inderdaad niet aan je werkzaamheden bent begonnen. Helaas is er geconstateerd dat je 	onder werktijd gebruik hebt gemaakt van alcoholische middelen en tevens onder invloed daarvan hebt 	gereden met de bedrijf bus. Al deze overtredingen zijn zo ernstig en in strijd met ons 	personeelshandboek, dat de consequentie is dat je per direct ontslagen bent.(…)”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Op 11 maart 2020 heeft via WhatsApp een conversatie plaatsgevonden tussen [verzoeker] en de heer [A] (hierna: [A] ), vestigingsmanager bij [verweerster] . [verzoeker] en [A] hebben onder meer het volgende geschreven:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>12:15 [A]	: <emphasis role="italic">“ [voornaam van verzoeker] wil je me met SPOED bellen”</emphasis></para>
        <para>13:00 [verzoeker]	: <emphasis role="italic">“Ik kom op eerste adres alles al gedaan ben sjagerijnig naar huis gegaan”</emphasis></para>
        <para>13:08 [verzoeker]	: <emphasis role="italic">“Dit was eerste adres alles was al gedaan ben daarna sjagerijnig naar 		maat gegaan…en paar pils op daarna.. Ik verneuk ook alles sorry beter op 		staande voet ontslag.”</emphasis></para>
        <para>13:32 [verzoeker]	: <emphasis role="italic">“Planning is slag om de arm en nu gaat klant bellen als ik iets later ben. 		Klant was blij dat ik niet stip 8.00 aanbelde. Weet niet welke er als eerst 		stond maar goed. Ik heb laatste tijd kort lontje door privé redenen pas ook 		aangegeven dat dit project mij opfockt. Ik zit fout en durf ik ook eerlijk toe te 		geven. Maar ik was zeker wel bij de eerste klant geweest in mijn planning 		stond half 10. Ik hoor het wel.”</emphasis></para>
        <para>14:12 [verzoeker]	: <emphasis role="italic">“Ja nee kut je hebt gelijk ik heb bij onderste aangebeld als eerst”</emphasis></para>
        <para>14:13 [A]	: <emphasis role="italic">“we zijn onderweg tot zo”</emphasis></para>
        <para>14:13 [verzoeker]	: <emphasis role="italic">“Ok”</emphasis>.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Op 12 maart 2020 heeft via WhatsApp een conversatie plaatsgevonden tussen [verzoeker] en zijn collega [B (voornaam)] (hierna: [B (voornaam)] ) die werkzaam is op de vestiging in [vestigingsplaats 2] . [verzoeker] en [B (voornaam)] hebben onder meer het volgende geschreven: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>15:22 [verzoeker]	: <emphasis role="italic">“Hoop dat ik het nog kan lijmen”</emphasis></para>
        <para>15:22 [B (voornaam)]	: <emphasis role="italic">“ik hoop het ook zo erg”</emphasis></para>
        <para>15:24 [verzoeker]	: <emphasis role="italic">“Ahhh dat is lief … [C (voornaam)] kwam gister hier met brief op staande voet 			ontslag…was ik het niet mee eens…werkweigering staat erin en dat ik 			gereden heb onder invloed maar is beide niet waar”</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
        <para>15:26 [verzoeker]	: <emphasis role="italic">“Alleen niet handig om boos naar huis te rijden …… Alleen ik had privé 		klusje en privé tel in de bus laten liggen dus was geen opzet dat ik niet 			opnam en ik had werktel gewoon in mijn zak”</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">		(…) </emphasis>
        </para>
        <para>15:30 [verzoeker]	: <emphasis role="italic">“Alleen eergisteren ben ik dus vanaf Utrecht nog naar [plaatsnaam] gereden 		kwam ik daar was alles al gedaan dus daar was ik ook al zuur over en toen 		gister ochtend weer hetzelfde liedje dus ik was daar sjaggie van en ben naar 		die maat gereden en daar geklust…toen ik klaar was heb ik 2 pilsjes met hem 		gedronken en toen naar huis gegaan en daar aan de palinka 				gezeten…Roemeens sterk drankje en toen belde [voornaam van A] ”</emphasis></para>
        <para>15:31 [verzoeker]	: <emphasis role="italic">“En zei dat ik naar [vestigingsplaats 2] moest komen en zei ik nee dat gaat niet want ik 		heb gedronken…”</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het verzoek van [verzoeker]</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para> is het er niet mee eens dat [verweerster] hem op staande voet heeft ontslagen. De redenen die [verweerster] heeft gegeven voor het besluit zijn volgens [verzoeker] onjuist en voor zover het juist zou zijn, leveren zijn gedragingen geen dringende reden op die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Bovendien heeft [verweerster] bij het nemen van het ontslagbesluit geen rekening gehouden met het beginsel van hoor- en wederhoor, het proportionaliteitsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling. Evenmin is acht geslagen op zijn persoonlijke omstandigheden die zijn gedragingen op 11 maart 2020 in een ander licht hadden gesteld.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Daarom verzoekt [verzoeker] de kantonrechter te oordelen dat [verweerster] hem niet op staande voet had mogen ontslaan. [verzoeker] beroept zich daarbij op artikel 7:681 Burgerlijk Wetboek (BW) welk artikel hem de keuze laat tussen opteren voor terugkeer op de werkvloer of het in stand laten van het ontslag maar dan met toekenning van een billijke vergoeding. Hoewel [verzoeker] in zijn verzoekschrift nog opteerde voor vernietiging van het ontslag en wedertewerkstelling, heeft hij er ter zitting voor gekozen om te berusten in de beëindiging van het dienstverband op 11 maart 2020 en verzoekt hij de kantonrechter hem een billijke vergoeding toe te kennen ter hoogte van € 10.307,50. Daarnaast verzoekt [verzoeker] toekenning van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 2.945,00 en een transitievergoeding ter hoogte van € 138,10. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] tevens zijn verzoek verminderd door zijn provisionele vordering te laten vervallen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [verweerster] voert verweer tegen het verzoek van [verzoeker] en vindt dat die moet worden afgewezen. Zij voert daartoe aan dat de redenen die aan het ontslag op staande voet ten grondslag liggen ernstig zijn. Mede gelet op de korte tijd dat [verzoeker] bij [verweerster] in dienst was, waren de gebeurtenissen op 11 maart 2020 zodanig ingrijpend dat niets anders op zijn plaats was dan een ontslag op staande voet. [verweerster] verzoekt de kantonrechter dan ook het gegeven ontslag in stand te laten en de verzoeken van [verzoeker] af te wijzen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het zelfstandig tegenverzoek van [verweerster]</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [verweerster] heeft een zelfstandig tegenverzoek ingediend. Zij maakt aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding op grond van artikel 7:677 lid 2 BW ten bedrage van </para>
        <para>€ 3.180,60 bruto zijnde één bruto maandsalaris inclusief 8% vakantietoeslag. [verzoeker] heeft [verweerster] een dringende reden gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen als gevolg waarvan [verzoeker] schadeplichtig is. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Met betrekking tot dit tegenverzoek verzoekt [verzoeker] – voor het geval vast zou komen te staan dat het ontslag op staand voet terecht is – de gefixeerde schadevergoeding te matigen tot nihil op grond van artikel 7:677 lid 5 onder a BW. Zijn persoonlijke omstandigheden en de korte duur van het dienstverband geven daartoe aanleiding, aldus [verzoeker] . </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De wet over ontslag op staande voet</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Ontslag op staande voet is een ingrijpende maatregel. De werknemer heeft van de ene op de andere dag geen inkomen meer en kan geen of slechts met beperkingen aanspraak maken op een uitkering. Ontslag op staande voet is dan ook bedoeld als uiterste middel en daarvoor gelden strenge eisen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Artikel 7:677 BW bepaalt dat zowel de werknemer als de werkgever bevoegd zijn de arbeidsovereenkomst per direct op te zeggen om een dringende reden. Wat de dringende reden voor het ontslag is, moet per direct aan de ander worden meegedeeld. De op dat moment genoemde redenen mogen later niet meer worden aangevuld. Wel kan later een nadere uitleg of onderbouwing worden gegeven van de aangegeven redenen voor het ontslag.</para>
        <para>De voor het ontslag gegeven reden moet allereerst naar zijn aard het ontslag op staande voet kunnen rechtvaardigen. Daarnaast moet er sprake zijn van dringendheid van de reden. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende redenen sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren ook te worden betrokken de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd, de aard en duur van het dienstverband, de wijze waarop de werknemer tijdens het dienstverband heeft gefunctioneerd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is. De stelplicht en bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen in dit geval bij de werkgever.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>
        [verweerster] stelt dat van haar – na de gebeurtenissen op 11 maart 2020 – redelijkerwijze niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst in stand te laten. De gedragingen van [verzoeker] waren dermate ernstig dat zij zich genoodzaakt zag [verzoeker] op staande voet te ontslaan. De gedragingen die tot dit oordeel hebben geleid zijn de hiernavolgende. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Op 11 maart 2020 was [verzoeker] ingedeeld op drie adressen aan de [straatnaam] te [plaatsnaam] . De werkzaamheden die hij op deze adressen diende te verrichten bestonden uit het aansluiten van de zonnepanelen op de meter- en groepenkast binnenshuis. [verweerster] verwijt [verzoeker] dat hij op 11 maart 2020 niet op de geplande afspraken is verschenen en dus de overeengekomen werkzaamheden niet heeft verricht, vervolgens telefonisch niet bereikbaar was noch telefonisch contact met [verweerster] heeft opgenomen, daarna onder werktijd alcohol heeft genuttigd en onder invloed van alcohol de bedrijfsbus heeft gereden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>Voor de beoordeling van de vraag of [verweerster] terecht is overgegaan tot het ontslag op staande voet dient eerst vastgesteld te worden of [verzoeker] zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan de door [verweerster] gemaakte verwijten.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ongeoorloofde afwezigheid en onbereikbaarheid</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>Tussen partijen staat niet ter discussie dat de reden voor ontslag enkel zijn oorsprong vindt in de gebeurtenissen op 11 maart 2020. Eerdere gedragingen spelen geen rol. Hoewel [verzoeker] uitdrukkelijk betwist dat hij op 11 maart 2020 niet op het werk zou zijn verschenen, erkent hij dat hij niet alle ingeplande adressen heeft bezocht. Nadat hij bij het eerste adres constateerde dat het werk reeds was gedaan, wist hij dat dit op de andere twee adressen ook het geval zou zijn en is hij rond 10:00 uur vertrokken uit [plaatsnaam] en is hij naar een vriend gereden. Ook heeft [verzoeker] in de WhatsApp conversaties van 11 en 12 maart 2020 en tijdens de mondelinge behandeling toegegeven dat het onverstandig was dat hij voor zijn vertrek uit [plaatsnaam] of kort daarna geen telefonisch contact heeft opgenomen met [verweerster] . Dat hij tot na de lunch telefonisch onbereikbaar was op zijn privé telefoon is juist, maar [verweerster] had hem op zijn zakelijke telefoon kunnen bellen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <para>De kantonrechter is op dit punt van oordeel dat vast is komen te staan dat [verzoeker] op twee adressen niet heeft aangebeld. De vraag of hij kon weten dat hij daar geen werkzaamheden hoefde te verrichten is hierbij niet relevant. [verzoeker] wist immers dat deze klanten op de hoogte waren van de geplande afspraak en hem verwachtten. Door niet bij hen op te komen dagen, heeft hij bij hen van zijn werkgever op zijn minst genomen een negatief beeld achtergelaten. De kantonrechter is ook van oordeel dat de door [verzoeker] geschetste omstandigheden geen verzachtende omstandigheden opleveren. Door [A] is ter zitting onweersproken gesteld dat hij kort ervoor nog met [verzoeker] had gesproken over de problematiek bij het project en begrip had getoond voor de ergernissen maar ook had gevraagd aan [verzoeker] om toch nog even door te zetten en het project af te maken. Onder die omstandigheden is het vertrekken van het project zonder zijn verplichtingen volledig na te komen én zijn werkgever daarvan niet op de hoogte te brengen, niet aanvaardbaar. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Alcohol nuttigen onder werktijd en rijden onder invloed</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9.</nr>
      <para>
        [verzoeker] heeft erkend dat hij rond de lunch twee biertjes heeft gedronken en daarna sterke drank heeft genuttigd. Volgens [verweerster] staat daarmee tevens vast dat [verzoeker] onder werktijd heeft gedronken, aangezien zijn werkdag zoals gebruikelijk eindigde om 18:00 uur. [verzoeker] stelt dat zijn werkdag ten einde was toen hij rond 10:00 uur het werk in [plaatsnaam] verliet. Over wat hij daarna in privétijd doet heeft [verweerster] volgens hem niets te zeggen. Bovendien, aldus [verzoeker] , wordt er op vrijdagmiddag vaak op het werk gedronken zodat het beleid van [verweerster] in die zin niet consistent is. Dit is door [verweerster] weersproken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.10.</nr>
      <para>De kantonrechter is op dit punt van oordeel dat het verweer van [verzoeker] niet slaagt. Ter zitting is door [verweerster] onweersproken gesteld dat de werkdag doorloopt na afronding van de werkzaamheden en dat er, als dat vroeg genoeg is, nog andere werkzaamheden kunnen worden gepland. Dit gebeurt niet vaak maar het is niet zo dat als de geplande werkzaamheden zijn afgerond, de werkdag zonder meer is afgelopen. De kantonrechter is van oordeel dat, als [verzoeker] zijn werkdag om 10:00 uur had willen doen eindigen, hij daarover contact op had moeten nemen met [verweerster] en akkoord moeten krijgen op zijn verzoek daartoe. Dat heeft [verzoeker] niet gedaan waardoor zijn werkdag die dag duurde tot 18:00 uur zoals ingepland. Daarmee staat vervolgens ook vast dat [verzoeker] onder werktijd alcohol heeft gebruikt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.11.</nr>
      <para>Resteert de vraag of [verzoeker] vervolgens onder invloed de bedrijfsbus heeft gereden. Door [verweerster] wordt gesteld dat [verzoeker] na het nuttigen van twee biertjes naar huis is gereden. [verzoeker] werpt op dit punt een aantal tegenstrijdige stellingen op; in zijn verzoekschrift staat dat hij na zijn bezoek aan zijn vriend naar huis is gereden en daar twee biertjes bij de lunch heeft gedronken, in de WhatsApp conversatie met [B (voornaam)] op 12 maart 2020 schrijft [verzoeker] dat hij bij zijn maat “2 pilsjes” heeft gedronken en daarna naar huis is gereden. Ter zitting heeft [verzoeker] gesteld dat hij die biertjes bij zijn maat heeft gedronken maar dat zijn vriendin vervolgens de bus naar zijn huis heeft gereden. [verweerster] acht dit niet geloofwaardig.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.12.</nr>
      <para>De kantonrechter overweegt hierop als volgt. Een partij kan op een eerdere verklaring terugkomen. In ieder geval is niet komen vast te staan dat [verzoeker] onder invloed van alcohol in de bus heeft gereden. De bewijslast daarvan ligt bij [verweerster] en [verweerster] heeft op de gemotiveerde  betwisting door [verzoeker] geen aanvullende onderbouwing gegeven. Nu in rechte niet is komen vast te staan dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan de gestelde combinatie van drankgebruik en deelnemen aan het verkeer met de bedrijfswagen, kan dat geen grondslag opleveren voor een ontslag op staande voet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.13.</nr>
      <para>Dit brengt het geschil tot de vraag: vormen het zonder overleg met [verweerster] vertrekken van de opdracht waarbij niet alle geplande adressen zijn bezocht en gecontroleerd, het gedurende drie uur onbereikbaar zijn en het drinken van alcohol onder werktijd, al dan niet in samenhang, een dringende redenen op grond waarvan [verweerster] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] per direct mocht opzeggen?  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.14.</nr>
      <para>Hardnekkig weigeren om te voldoen aan redelijke opdrachten of dronkenschap kunnen op zichzelf een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Bij de beoordeling van deze vraag heeft de kantonrechter zich rekenschap gegeven van de volgende omstandigheden. Het is zeer wel mogelijk dat [verzoeker] zich door de combinatie van zijn recente scheiding, zorgen om zijn dochter en zijn ergernissen over het niet vlekkeloos verlopende project gefrustreerd en somber voelde. Dit neemt niet weg dat het [verzoeker] aangerekend kan worden dat hij zonder overleg gestopt is met werken en onder werktijd alcohol heeft genuttigd. Het getuigt niet van goed werknemerschap, maar leiden deze misdragingen van [verzoeker] ook tot de conclusie dat, in de gegeven omstandigheden, redelijkerwijs niet van [verweerster] kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren in de zin van art. 7:678 lid 1 BW? </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.15.</nr>
      <para>Het antwoord op die vraag luidt ontkennend. De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op de verstrekkende gevolgen van een ontslag op staande voet, de gegeven omstandigheden, waarvan niet is gebleken dat dit meer is dan een eerste incident, eerst hadden moeten leiden tot een waarschuwing. De ongeoorloofde afwezigheid kan ook niet worden gelijk gesteld met werkweigering. [verzoeker] heeft [verweerster] weliswaar in de kou laten staan door zonder overleg naar huis te gaan, maar daarbij is voor [verweerster] geen noemenswaardige schade ontstaan of een onaanvaardbaar risico gelopen. [verweerster] heeft voorts terecht aangevoerd dat een combinatie van alcohol en het werken met elektra risicovol is, maar aan die combinatie heeft [verzoeker] zich niet schuldig gemaakt. [verzoeker] is naar huis gegaan in de overtuiging dat hij die dag geen werkzaamheden meer zou verrichten. Hoewel de gedragingen van [verzoeker] dus in hoge mate in strijd zijn met wat van hem verwacht mag worden, is een dergelijke eenmalige gebeurtenis onder de gegeven omstandigheden onvoldoende om een direct ontslag op staande voet te rechtvaardigen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.16.</nr>
      <para>Dit oordeel brengt met zich dat [verweerster] de arbeidsovereenkomst in strijd met artikel 7:671 BW heeft opgezegd; er was noch instemming van [verzoeker] noch leverden de feiten en omstandigheden een dringende reden op die tot een ontslag op staande voet konden leiden. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Transitievergoeding</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.17.</nr>
      <para>De werkgever is, ongeacht de duur van de arbeidsovereenkomst, op grond van artikel 7:673 BW een transitievergoeding verschuldigd indien (onder meer) de arbeidsovereenkomst op zijn initiatief eindigt of niet wordt voortgezet en dit niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Hoewel [verzoeker] zonder meer op 11 maart 2020 te kort is geschoten in zijn verplichtingen als werknemer, acht de kantonrechter dit niet zodanig ernstig verwijtbaar dat zijn recht op de transitievergoeding komt te vervallen. Gelet op zijn salaris en de duur van het dienstverband bedraagt de transitievergoeding € 138,10, zodat dit bedrag zal worden toegewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vergoeding wegens onregelmatige opzegging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.18.</nr>
      <para>Artikel 7:672 lid 11 BW bepaalt dat de partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Partijen zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst tussentijds opzegbaar is en de opzegtermijn bij regelmatige opzegging – zowel op grond van de wet als op grond van hetgeen partijen zijn overeengekomen – is dan één maand. [verweerster] is daarom de door [verzoeker] verzochte vergoeding verschuldigd van € 2.945,- bruto.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Billijke vergoeding</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.19.</nr>
      <para>De kantonrechter kan – op grond van artikel 7:681 lid 1 onder a BW – op verzoek van de werknemer aan hem ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toekennen indien, onder meer, een ontslag op staande voet is gegeven zonder dat sprake was van een dringende reden. Voor die toekenning is geen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever vereist. Het opzeggen in strijd met de daarvoor geldende regels valt de werkgever als ernstig aan te rekenen en is voldoende voor het toekennen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.20.</nr>
      <para>
        [verzoeker] heeft verzocht hem een billijke vergoeding van € 10.307,50 toe te kennen. Dit bedrag bestaat uit zijn loon over de periode van 11 maart 2020 tot 3 juli 2020. De kantonrechter is van oordeel dat volledige toekenning van dit bedrag niet aansluit bij de omstandigheden van het geval. De arbeidsovereenkomst zou op 3 juli 2020 zijn geëindigd en dat deze verlengd zou worden kan in de gegeven omstandigheden niet zonder meer worden aangenomen. Gegeven de constatering dat [verzoeker] de eisen van goed werknemerschap heeft overtreden en niet tijdig tot inkeer is gekomen, alsmede de toekenning van de vergoeding als in 5.18 is overwogen, acht de kantonrechter een billijke vergoeding van twee en een half maandsalaris, zijnde een bedrag van € 7.362,50,- (2,5 x € 2.945,- bruto), op zijn plaats. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wettelijke rente </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.21.</nr>
      <para>
        [verzoeker] heeft verzocht om de wettelijke rente over de toe te wijzen bedragen vanaf het moment van opeisbaarheid. De wettelijke rente over de transitievergoeding en billijke vergoeding zal op grond van artikel 7:686a lid 1 BW worden toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, te weten 11 april 2020. Over de vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal – eveneens op grond van artikel 7:686a lid 1 BW- de wettelijke rente worden toegewezen, maar dan vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, zijnde 11 maart 2020. Tot slot is over de billijke vergoeding wettelijke rente verschuldigd – op grond van artikel 6:119 BW - vanaf veertien dagen na betekening van deze beschikking.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.22.</nr>
      <para>
        [verweerster] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op:</para>
      <para />
      <para>- griffierecht (tarief voor onvermogenden)	€     83,00</para>
      <para>- salaris advocaat				€   720,00</para>
      <parablock>
        <para>						------------</para>
        <para>Totaal						€   803,00</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het zelfstandig verzoek</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.23.</nr>
      <para>
        [verweerster] heeft een zelfstandig verzoek ingediend voor het geval het ontslag op staande voet in stand blijft. In dat geval verzoekt zij [verzoeker] – op grond van artikel 7:677 lid 2 BW – te veroordelen tot betaling van een vergoeding nu [verzoeker] door opzet of schuld aan [verweerster] een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst per direct op te zeggen. Aangezien het ontslag op staande voet onterecht is gegeven, zal dit zelfstandig verzoek worden afgewezen, aangezien de grond daarvoor ontbreekt.    </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Op het verzoek</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 138,10 bruto ter zake de transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 11 april 2020 tot aan de dag van volledige betaling;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 7.362,50,- ter zake van de billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:681 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, berekend vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking tot de dag van volledige betaling;  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van de gefixeerde schadevergoeding van € 2.945,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2020 tot de dag van volledige betaling; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op € 803,00, waarvan € 720,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, berekend vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking tot de dag van volledige betaling; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <para>verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.6.</nr>
      <para>wijst af het meer of anders verzochte;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Op het zelfstandig tegenverzoek</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.7.</nr>
      <para>wijst het verzoek af.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mr. F.H. Charbon, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2020.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>