<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2020:2498</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-20T09:34:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-04-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8183957 UC EXPL  19-12775</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:2498">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:2498</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-20T09:33:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2020:2498 Rechtbank Midden-Nederland , 22-04-2020 / 8183957 UC EXPL  19-12775</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2020:2498:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Reparatie koffiemachine: ondeugdelijk?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2020:2498:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 8183957 UC EXPL  19-12775 RW/1368</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 22 april 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende en zaakdoende te [woon-/vestigingsplaats] ,</para>
      <para>verder ook te noemen [eiser] ,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>gemachtigde: mr. H.J.M. van de Pas,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid <emphasis role="bold">[gedaagde] B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>verder ook te noemen [gedaagde] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>procederend in persoon bij haar directeur, [A] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [eiser] heeft een vordering ingesteld met een dagvaarding. Daarop heeft [gedaagde] een conclusie van antwoord genomen. De procedure is verder schriftelijk verlopen, met een conclusie van repliek van [eiser] en een conclusie van dupliek van [gedaagde] . Als laatste heeft [eiser] nog schriftelijk gereageerd op de productie die [gedaagde] bij haar conclusie van dupliek had gevoegd. Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat de zaak over en wat is het eindoordeel van de kantonrechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eiser] bezit een koffiezetapparaat, een Delonghi Magnifica S (hierna: het apparaat). Op of rond 14 februari 2019 heeft [gedaagde] het apparaat bij [eiser] opgehaald voor een reparatie. Na de reparatie, waarvoor [gedaagde] € 159,81 in rekening bracht (en ook € 36,30 aan transportkosten), nam [eiser] het apparaat weer in gebruik. Kort daarna, op 7 maart 2019, gaf het apparaat weer een storingsmelding. [gedaagde] liet het apparaat ophalen bij [eiser] , maar na onderzoek constateerde [gedaagde] geen defect. Volgens [gedaagde] was er niets mis met het apparaat. Voor het terugsturen bracht [gedaagde] € 36,30 aan transportkosten in rekening. Volgens [eiser] was dat onterecht, en [eiser] betaalde die niet. Partijen werden het daarover niet eens, en [eiser] heeft op 4 april 2019 de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden (productie 12 van [eiser] ). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>In deze procedure vordert [eiser] terugbetaling van de reparatiekosten (€ 159,81) en de transportkosten (€ 36,30), plus aanvullende schadevergoeding van € 180,00, met nevenvorderingen. [eiser] baseert de terugbetaling van de reparatie- en transportkosten op zijn stelling dat de overeenkomst is ontbonden. De schadevergoeding bestaat uit € 100,00 aan dagwaarde van het apparaat (volgens [eiser] weigert [gedaagde] het apparaat aan hem terug te sturen) en € 80,00 aan een huur-koffiezetapparaat. </para>
        <para>
          [gedaagde] is het daarmee niet eens en voert verweer. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De kantonrechter komt in deze zaak tot de eindconclusie dat de vordering van [eiser] niet toewijsbaar is. Dat wordt hierna uitgelegd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Was de reparatie van 14 februari 2019 ondeugdelijk? Nee</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Voor ontbinding van de overeenkomst is noodzakelijk dat vast komt te staan dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming daarvan. Volgens [eiser] is de reparatie van 14 februari 2019 ondeugdelijk uitgevoerd, maar hij baseert dat uitsluitend op zijn stelling dat het apparaat na de reparatie een (volgens [eiser] : dezelfde) foutmelding gaf. [gedaagde] heeft daar tegenin gebracht dat de storingsmelding van 7 maart 2019 uit een aanwijzing bestond om het apparaat te ontluchten, door het stoomkraantje te openen. Volgens [gedaagde] is dat normaal onderhoud, uit te voeren door de gebruiker ( [gedaagde] noemt vergelijkbare storingsmeldingen als <emphasis role="italic">“water moet worden bijgevuld”</emphasis> en <emphasis role="italic">“bakje moet worden geleegd”</emphasis>). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De kantonrechter kan niet zien of de foutmelding van 7 maart 2019 dezelfde was als de storing van 14 februari 2019. Uit de stukken valt dat niet op te maken en partijen staan daarin lijnrecht tegenover elkaar. Maar het doet er ook niet toe. [gedaagde] heeft namelijk het apparaat opgehaald en onderzocht, en geen defect gevonden. Dat blijkt voldoende uit de door [gedaagde] overgelegde productie 7, een lijst van <emphasis role="italic">“Opmerkingen (intern)”</emphasis>. Daaruit blijkt dat het apparaat drie keer is onderzocht door monteurs van [gedaagde] . De monteurs schrijven op de lijst: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“maalwerk doet het prima, nog niks te zien kwa klachtent [B (voornaam)] 2903-20l9( laat hem staan voor [C (voornaam)] dat hij misschien iets kan vinden)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">meneer gebeld en die vertelde dat hij in algemenen storing kwam na een aantal kopjes, Ik heb vanalles geprobeerd maar hij werkt gewoon. [C (voornaam)] 01-04-2019</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">ik heb nog een paar kopjes getest, machine doet het prima. wss had meneer te weinig bonen erin zitten of plakkerge bonnen. [B (voornaam)] 02-04-2019</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">getest door naad temp is 82.3 gr”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>
        [eiser] stelt weliswaar dat het apparaat op 7 maart 2019 nog steeds defect was, maar alleen op basis van een storingsmelding valt dat niet op te maken. [gedaagde] heeft die storingsmelding uitgelegd en naar behoren aangetoond dat een storingsmelding nog niet betekent dat er een defect is. [gedaagde] heeft naar behoren onderbouwd dat het apparaat bij het onderzoek naar aanleiding van de storingsmelding van 7 maart 2019 geen defect had. Niet ter discussie staat dat het apparaat na de reparatie van 14 februari 2019 weer goed heeft gefunctioneerd. Het verband tussen de nieuwe storingsmelding van 7 maart 2019 en de reparatie van 14 februari 2019 is in deze omstandigheden, in onderling verband bezien, niet vast komen te staan. Dat de reparatie van 14 februari 2019 ondeugdelijk zou zijn uitgevoerd, is daarom niet gebleken. Een tekortkoming door [gedaagde] kan dan ook  niet worden vastgesteld. Op grond hiervan heeft [eiser] de overeenkomst dus niet kunnen ontbinden. De vordering tot terugbetaling van de reparatie- en transportkosten is daarom ongegrond en zal worden afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Tijdelijke huur van een ander koffiezetapparaat</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Volgens [eiser] heeft hij een ander koffiezetapparaat moeten huren, toen [gedaagde] aanspraak maakte op betaling van de transportkosten na het onderzoek naar aanleiding van de storingsmelding van 7 maart 2019. [eiser] wilde die transportkosten niet betalen, waarop [gedaagde] het apparaat niet terugstuurde aan [eiser] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Voor toewijzing van de vordering van [eiser] op dit punt, moet vast komen te staan dat [gedaagde] onterecht aanspraak maakte op betaling van de transportkosten. [eiser] baseert zijn vordering op dit punt op twee stellingen, die hieronder genoemd en gelijk beoordeeld zullen worden:</para>
      <para />
      <para> Het beding in de toepasselijke algemene voorwaarden waarop [gedaagde] zich beroept, is onredelijk bezwarend en daarom niet van toepassing.</para>
      <para>
        [eiser] verweert zich, naar de kantonrechter aanneemt, tegen het beding in de algemene voorwaarden onder <emphasis role="italic">“Garantievoorwaarden”</emphasis> dat luidt <emphasis role="italic">“De haal- en brengservice is een extra dienst van [gedaagde] . Indien u hier gebruik van wenst te maken worden deze kosten ook in rekening gebracht wanneer uw machine defect is binnen de garantietermijn.”</emphasis> (zie productie 11 van [gedaagde] ). Dat slaagt niet. Ten eerste is hiervoor al vastgesteld dat de nieuwe storingsmelding geen verband hield met de uitgevoerde reparatie. Van een verplichting tot herstel op basis van een garantie is daarom geen sprake. Ten tweede stelt [eiser] geen feitelijke omstandigheden waarom het beding onredelijk bezwarend zou zijn, anders dan dat in consumentenbeschermende wetgeving dergelijke bedingen verboden zouden zijn. [eiser] is echter geen consument, zoals hij zelf stelt. [eiser] beroept zich weliswaar op reflexwerking van consumentenbeschermende bepalingen, maar die reflexwerking volgt niet uit het enkele feit dat hij een kleine zelfstandige zou zijn. Daarvoor zou [eiser] meer moeten stellen, wat hij niet doet. Het beding is dus niet onredelijk bezwarend. Voor zover [gedaagde] een beroep op dat beding gedaan heeft, is dat terecht. </para>
      <para />
      <para> [eiser] zou met de directeur van [gedaagde] ( [A] ) hebben afgesproken dat het apparaat na de storingsmelding van 7 maart 2019 gratis zou worden opgehaald en teruggebracht.</para>
      <para>
        [eiser] onderbouwt dit met zijn stelling dat hij een gespreksopname zou hebben, waarin [A] dat zou hebben toegezegd, plus een e-mail van [A] aan [eiser] van 27 maart 2019 (productie 14 van [eiser] ).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit wat [gedaagde] betoogt, volgt dat [gedaagde] ontkent dat [A] een dergelijke toezegging heeft gedaan. Wat [eiser] daarom had moeten doen, is ofwel de gespreksopname overleggen, ofwel daarvan een transcriptie maken en deze overleggen. Beide heeft [eiser] niet gedaan. De kantonrechter laat daarom de gestelde gespreksopname verder buiten beschouwing. Ook kan [eiser] zich niet terecht beroepen op genoemde e-mail. Op de vraag van [eiser] (<emphasis role="italic">“Wil graag een afspraak maken, maar ga niet opnieuw verzendkosten betalen dat mag ook niet). Hoe kan ik dit organiseren?”</emphasis>) antwoordt [A] <emphasis role="italic">“Bij ons op de website kan u een nieuw reparatie verzoekje indienen (…) Mocht het zo zijn dat het onze fout is dat de machine niet optimaal werkt komen wij u natuurlijk tegemoet in de transportkosten, hier zijn wij niet lastig in.”</emphasis>. Hiervoor is al vastgesteld dat [gedaagde] de eerdere reparatie goed heeft uitgevoerd, tenminste, van het tegendeel is niet gebleken. Aan de voorwaarde die [A] in de e-mail heeft gesteld, is dus niet voldaan. Verder volgt de stelling van [eiser] dat [gedaagde] sowieso de transportkosten niet in rekening zou brengen, niet uit de tekst van de e-mail. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Dit alles betekent dat een afspraak zoals [eiser] die stelt, niet vast staat. [gedaagde] heeft daarom de transportkosten terecht in rekening kunnen brengen. Dat [eiser] daarmee niet akkoord is gegaan, blijft voor zijn rekening. De huurkosten voor een tijdelijk ander koffiezetapparaat komen daarom evenmin als schade voor vergoeding in aanmerking.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vergoeding dagwaarde apparaat?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert verder € 100,00 als vergoeding voor de dagwaarde van het apparaat, omdat [gedaagde] het apparaat niet terug heeft gegeven na het onderzoek. Volgens [gedaagde] heeft zij het apparaat wél teruggestuurd. Ter onderbouwing daarvan legt [gedaagde] een <emphasis role="italic">“aflevering ondertekening [.] ”</emphasis> (productie 1 bij de conclusie van dupliek, hierna: het afleveringsbewijs) over, afkomstig van <emphasis role="italic">“ [naam onderneming] ”</emphasis>. [eiser] ontkent dat hij het apparaat heeft ontvangen en ontkent dat de handtekening op het afleveringsbewijs de zijne is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>Hoewel [eiser] ontkent dat het zijn handtekening is op het afleveringsbewijs, maakt hij niet duidelijk in hoeverre de handtekening op het afleveringsbewijs afwijkt van zijn eigen handtekening. Hij verwijst wel ter vergelijking naar zijn handtekening onder de akte uitlating producties, maar de kantonrechter vindt die handtekening niet substantieel afwijken van de handtekening onder het afleverbewijs. Het afleverbewijs is blijkbaar opgesteld door [naam onderneming] . [naam onderneming] is de tussen partijen overeengekomen vervoerder (dat benoemt [gedaagde] zo en blijkt ook uit elke productie die over het transport gaat). [eiser] betwist niet met zoveel woorden dat [naam onderneming] iets op 26 april 2019 afgeleverd heeft, maar suggereert  dat het afleverbewijs zou kunnen zien op een brief of iets anders. Als dat zo was geweest, dan had hij dat eenvoudig aan kunnen tonen door van zijn kant [naam onderneming] te benaderen en op dat punt opheldering te laten verschaffen. [eiser] heeft dat niet gedaan en daarom acht de kantonrechter niet aannemelijk dat [naam onderneming] het koffiezetapparaat op 26 april 2019 niet bij [eiser] heeft afgeleverd.  Die datum komt de kantonrechter bovendien niet onlogisch voor. Na de e-mailwisseling tussen partijen op en rond 2 april 2019 (zie de diverse producties bij de dagvaarding van [eiser] ) is logisch dat [gedaagde] het apparaat nog enige tijd onder zich heeft willen houden, na de weigering van [eiser] om de transportkosten te betalen. Op grond van dit alles, slaagt de betwisting van [eiser] niet. De kantonrechter gaat ervan uit dat [gedaagde] het apparaat terug heeft gestuurd en dat [eiser] het apparaat heeft ontvangen. De vordering tot betaling van de restwaarde wordt daarom afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>Omdat de vordering voor de hoofdsom wordt afgewezen, delen de nevenvorderingen dit lot.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <para>Als de in het ongelijk gestelde partij, moet [eiser] de proceskosten betalen. De kosten van [gedaagde] begroot de kantonrechter tot aan dit vonnis op nihil. [gedaagde] procedeerde in persoon en er heeft in deze zaak geen mondelinge behandeling plaatsgevonden. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>wijst de vordering af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 april 2020.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>