<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2020:246</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-07T10:01:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-01-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 19/2658</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:246">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:246</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-07T10:01:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2020:246 Rechtbank Midden-Nederland , 07-01-2020 / UTR 19/2658</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2020:246:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Zaak over toepassing van de Regeling tijdelijk scholingsbudget Uwv. Met de regeling heeft de Minister het Uwv de taak opgedragen een beschikbaar gesteld scholingsbudget aan te wenden voor het inkopen van noodzakelijke scholing voor WW-gerechtigden. Bij besluiten op aanvragen om een scholingsbudget heeft verweerder beslissingsruimte, die hij in redelijkheid invult door de toelichting bij de regeling als beleid toe te passen. Deze toelichting volgend kan verweerder zogenoemde ‘cofinanciering’ – waarbij zowel de WW-er als het Uwv een deel van de scholingskosten betalen – in redelijkheid uitsluiten. De toelichting bij het Amendement Van Weyenberg c.s. gaat niet voor de toelichting bij de regeling, omdat dat zich niet verhoudt tot de aard van het amendement tot wijziging van de begroting van het ministerie.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2020:246:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 19/2658</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2020 in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres</title>
    <para>(gemachtigde: mr. J.G.J. Spiekker)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen </emphasis>(het Uwv), verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: M. Tieman).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Eiseres heeft vanaf 1 december 2018 recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidwet (WW) gebaseerd op 24 uur. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>In het kader van re-integratie heeft eiseres verzocht om de opleiding [.] te mogen volgen, zonder verlies van haar WW‑uitkering. Ten behoeve van het volgen van deze opleiding heeft eiseres bij verweerder een verzoek gedaan voor een scholingsbudget.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>In het werkplan van 9 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een scholingsbudget afgewezen, omdat de kosten voor deze opleiding meer dan € 2.500,-- zijn en eiseres geen baanintentie of baangarantie kan overleggen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>In het besluit van 4 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld op de zitting van 7 januari 2020. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <para>De rechtbank heeft na afloop van de zitting meteen uitspraak gedaan. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Oordeel van de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank geeft voor haar oordeel de volgende motivering. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. In deze zaak gaat het om de vraag of cofinanciering van de opleidingskosten mogelijk is. Cofinanciering zou dan betekenen dat verweerder een deel van de kosten van de door eiseres te volgen opleiding voor zijn rekening neemt. Volgens verweerder is dit niet mogelijk en verweerder wijst daarbij op de toelichting bij de Regeling tijdelijk scholingsbudget Uwv (de regeling). Daarin staat dat de bekostiging van de scholing 100% bedraagt van de daadwerkelijke kosten ervan, tot een maximum van € 2.500,-- per WW‑gerechtigde. Eiseres vindt dat de mogelijkheid van cofinanciering wel bestaat en zij wijst daarbij op de toelichting bij het Amendement Van Weyenberg c.s.<footnote-ref linkend="_ee273b58-b676-405a-828a-509589f7cc0a" /> (het amendement), die de grondslag vormde voor de scholingsregeling en waarin de beperking van “100% van de kosten” niet staat. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat als de toelichting op de regeling moet worden gevolgd de aanvraag terecht is afwezen, en dat als de toelichting op het amendement moet worden gevolgd cofinanciering wel mogelijk is. De rechtbank moet dus de vraag beantwoorden welke van de twee toelichtingen moet worden gevolgd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beoordeling van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De rechtbank heeft gekeken naar de grondslag van het besluit. Op grond van artikel 32d, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen kunnen bij ministeriële regeling taken worden opgedragen aan het Uwv. Met de regeling wordt een dergelijke taak aan het Uwv opgedragen. In de regeling is bepaald dat het Uwv over een scholingsbudget beschikt voor het inkopen van noodzakelijke scholing voor WW‑gerechtigden. </para>
    <para />
    <para>6. Bij de uitvoering van de regeling heeft het Uwv beslissingsruimte. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat het Uwv hiervoor geen eigen beleid heeft, maar dat deze beslissingsruimte voor individuele scholingsaanvragen wordt ingevuld door toepassing te geven aan de toelichting bij de regeling. Verweerder past deze toelichting dus als beleid toe en dat past binnen zijn beslissingsruimte. </para>
    <para />
    <para>7. Eiseres wijst op de toelichting bij het amendement. Eiseres vindt dat deze toelichting bij de beoordeling van haar aanvraag voor moet gaan op de toelichting bij de regeling. Naar het oordeel van de rechtbank verhoudt dit zich echter niet tot de aard van het amendement. Daarmee is immers slechts de begroting van het ministerie gewijzigd, over de uitvoering waarvan de minister zich eventueel politiek zou moeten verantwoorden. Het amendement en de toelichting daarop vormden wel de aanzet tot de scholingsregeling, maar spelen geen rol bij de beslissingsruimte van verweerder die hij invult met de toelichting op de regeling. De beroepsgrond slaagt niet.  </para>
    <para />
    <para>8. Eiseres wijst er daarnaast op dat het niet verstrekken van cofinanciering in strijd is met het doel van het amendement; namelijk mensen weer aan het werk krijgen. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat er vanwege praktische bezwaren, zoals eventuele betalingsproblemen bij aanvragers en de verdere handhaving daarvan, bewust voor is gekozen om cofinanciering uit te sluiten. De rechtbank kan deze toelichting van verweerder volgen. Bovendien heeft verweerder ook de ruimte om deze afweging te maken. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de toelichting op de regeling mogen volgen bij de beoordeling van scholingsaanvragen. Verweerder heeft de voorwaarden uit deze toelichting in deze zaak ook juist toegepast. Dit betekent dat de aanvraag van eiseres voor het scholingsbudget in redelijkheid door verweerder is afgewezen. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
    <para>7. Op de zitting heeft de rechtbank partijen erop gewezen dat zij in hoger beroep kunnen als zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Dit kan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. P.J. Naus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2020. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop het proces-verbaal van deze uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. Het proces-verbaal van deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_ee273b58-b676-405a-828a-509589f7cc0a" label="1">
    <para>Kamerstukken II 2017/18, 34 775-XV, nr. 15. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>